Partner in crime: Ariane Vergult

De poëzie is dood, de poëzie is niet dood!

Het quasi complete gebrek aan poëzieonderricht tijdens de lessen Nederlands in het secundair onderwijs (het vijfde jaar heette in mijn tijd nog de poësis, anyone?), de desinteresse van -pakweg- de openbare omroep, de erbarmelijke verkoopcijfers van bundels met als gevolg het lage aantal debutanten dat bij ‘gevestigde’ uitgeverijen terechtkan: veel doet vermoeden dat het eerste deel van de zin hierboven waar is. En toch. Net zoals dat ene zaadje dat op een kurkdroge rots in de verzengende zon neervalt om dan toch te schieten, bestaan er nog steeds mensen die, los van alles, een eigen poëtica ontwikkelen door dagelijks te schaven aan hun gedichten. Om die vervolgens te delen onder hun gelijken op media als facebook of door (eerst aarzelend en dan enthousiast) geïmproviseerde podia te bestijgen en hun poëzie te declameren voor anderhalve man en een paardenkop in een bruin cultuurcafé.

Soms worden ze gedeeld op een blog. Bij deze.
Ik stel u voor: Ariane Vergult. Vrouw, moeder, grootmoeder, vriendin, mens, partner in crime in de poëzie, warmhartige dichter die récht vanuit de ziel schrijft: spontaan, energiek, nooit hoogdravend, over de sublieme én de afschuwelijke dingen van het leven. Sterk abstractie makend van wat groot is, en wat klein. Met een krachtig gevoel voor rechtvaardigheid, nooit met het vingertje. Zie: ze gaat haar gang, ze draagt het leven. En ze bleef nog een keer haperen in De Zeef van de Maand:

uit de verte een kind

er moet een land zijn voor dit kind
met bomen van vaders,
vijvers vol moeders, schaapjeswolken,
dampende pompoensoep op het vuur,

vingers die haar omtrek met de scheve staartjes 
blind schetsen
een warme trui voor haar breien,
een troon van marsepein voor haar bouwen
die haar oude vluchtroute over zee zoeten kan

er moet een ochtend voor dit kind komen
in een taal met lichtvoetige cadans en hapklare woordenschat,
fluistersprookjes langs de straten
met lange tafels vol helder water, voedzame potlucks
guirlandes en lampionnen met gemeende weesgegroets

dit kind zal eieren rapen, appels plukken,
fietsen met één hand,
en met de andere wuiven naar een minder ruwe zee
ver achter zich

Of neem nu dit gedicht dat ze in februari op facebook plaatste, met als voetnoot: “een ferm ouderwets gedichtje met weinig taalvondsten voor 7 februari ’55 en ’57”:

we waren jong en licht bekrast,
asemden in gekantklost ijs
op enkelvoudig vensterglas
een kijkgat op de wereld:
buiten flikflooiden tortelduiven
jongens martelden winterjuffers,
boven de waterput,
meisjes droegen mimiek en sjaal
naar hun kleinste sneeuwpop

nu we ouder zijn,
zuiniger op woorden,
het leven zelfreinigend bleek,
onze rug verder zinkt
zijn wij uit het eigengereid gelijk
en uit alle liefde die geen kant op kon
van dat jong driest hoofd geraasd

we missen alleen nog de handoplegging
van een goedmenende herder, een kruisje
op ons voorhoofd om ons te bewaren
voor al die gissende nachten
met zwervende kinderen op kousenvoeten

nog altijd staan we te ademen in
die pentekening van ijs
op dun vensterglas
kijken nu dwars doorheen het vlies van keurige etalages
naar het gestage grote verdwijnen

Goede poëzie kan men letterlijk lezen, dan wel figuurlijk. Men kan er zelf inhoud in bewaren als in een vertrouwd nest. Ik kan er vol afschuw op reageren, jij geheel anders.

De poëzie is niet dood. Niet zolang de Arianes van deze wereld blijven schrijven. QED.


Ontdek meer van Matthias Haeck

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.