Over ons.

Over ons valt niets te beweren. Het is al onmogelijk iets met zekerheid over zichzelf te zeggen. Laat staan over een ander. Dus hoe zouden we iets over ons kunnen zeggen?

Dit en andere vergelijkbare bedenkingen passeren de laatste tijd in mijn gedachten. Je zit te veel in je hoofd, zegt mijn eega dan soms. Vaak zegt ze ook niets maar ik kan dan wel raden dat ze het denkt.

Iedereen, ik in het bijzonder, zou regelmatig uit zijn/haar hoofd moeten kunnen stappen. Leeghoofdig over een akker lopen, gedachteloos knielen en in de aarde wroeten, zonder doel. En dan wellicht (ooit) rechtstaan en verder lopen. Nergens naartoe.

Net daarom ga ik elk jaar naar de bloeiende Japanse kerselaars kijken. Of wil ik al een gans leven een open haard. Hou ik van kijken naar de zee. Het is allemaal altijd hetzelfde, maar nooit identiek.

Die Japanse kerselaars in bloei staan in Gent, voor alle duidelijkheid, niet in Japan. Ooit wil ik wel eens naar dat land (alleen, geef ik schroomvallig toe) maar dan wel in oktober. De bloesems zijn toch altijd hetzelfde, en het is er in de lente veel te druk. Nee, geef me maar de herfst.

Toen ik tien of zo was, gingen we soms naar de stacaravan van onze buurman. Die caravan stond in Dikkele (ik droom er nog over, al is het meer dan veertig jaar geleden), een groen dorp in de Zwalmstreek waar ooit de bende van Jan De Lichte -volgens Gerard Walschap althans- zich schuilhield tussen de rooftochten. Het glooit er sterk en de stacaravan was dan ook op een hellend stukje grond opgesteld, neerkijkend op een fluks stromende beek. Enig opzoekwerk leidt tot de wetenschap dat dit de Munkbosbeek moet zijn.

Wat ik me nog herinner is de penetrante geur van de carboline waarmee het houten terras voor de stacaravan was behandeld, en hoe die sterker werd naarmate de zon harder scheen. En beneden aan de rivier, de geur van de bomen en het ijskoude, wervelende water.

Die beek zorgde voor, sorry, oeverloos plezier, voor urenlang mijmeren en niet-mijmeren. Van het verleggen van gladde keien om het water om te leiden of zelfs te stoppen (het won altijd) tot het proberen vangen van de minuscule visjes die er razendsnel passeerden. Tot het weeë gevoel in mijn buik toen ik er eindelijk eentje had gevangen… en het terug vrijlaten van het kleine ding, dat snel verdween. Hoe lang zou het nog gezwommen hebben.

Een gedicht daarover.
Over water, over tijdloosheid, over ons.


Ontdek meer van Matthias Haeck

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie