Het quasi complete gebrek aan poëzieonderricht tijdens de lessen Nederlands in het secundair onderwijs (het vijfde jaar heette in mijn tijd nog de poësis, anyone?), de desinteresse van -pakweg- de openbare omroep, de erbarmelijke verkoopcijfers van bundels met als gevolg het lage aantal debutanten dat bij ‘gevestigde’ uitgeverijen terechtkan: veel doet vermoeden dat het eerste deel van de zin hierboven waar is. En toch. Net zoals dat ene zaadje dat op een kurkdroge rots in de verzengende zon neervalt om dan toch te schieten, bestaan er nog steeds mensen die, los van alles, een eigen poëtica ontwikkelen door dagelijks te schaven aan hun gedichten. Om die vervolgens te delen onder hun gelijken op media als facebook of door (eerst aarzelend en dan enthousiast) geïmproviseerde podia te bestijgen en hun poëzie te declameren voor anderhalve man en een paardenkop in een bruin cultuurcafé.
Soms worden ze gedeeld op een blog. Bij deze. Ik stel u voor: Ariane Vergult. Vrouw, moeder, grootmoeder, vriendin, mens, partner in crime in de poëzie, warmhartige dichter die récht vanuit de ziel schrijft: spontaan, energiek, nooit hoogdravend, over de sublieme én de afschuwelijke dingen van het leven. Sterk abstractie makend van wat groot is, en wat klein. Met een krachtig gevoel voor rechtvaardigheid, nooit met het vingertje. Zie: ze gaat haar gang, ze draagt het leven. En ze bleef nog een keer haperen in De Zeef van de Maand:
uit de verte een kind
er moet een land zijn voor dit kind met bomen van vaders, vijvers vol moeders, schaapjeswolken, dampende pompoensoep op het vuur,
vingers die haar omtrek met de scheve staartjes blind schetsen een warme trui voor haar breien, een troon van marsepein voor haar bouwen die haar oude vluchtroute over zee zoeten kan
er moet een ochtend voor dit kind komen in een taal met lichtvoetige cadans en hapklare woordenschat, fluistersprookjes langs de straten met lange tafels vol helder water, voedzame potlucks guirlandes en lampionnen met gemeende weesgegroets
dit kind zal eieren rapen, appels plukken, fietsen met één hand, en met de andere wuiven naar een minder ruwe zee ver achter zich
Of neem nu dit gedicht dat ze in februari op facebook plaatste, met als voetnoot: “een ferm ouderwets gedichtje met weinig taalvondsten voor 7 februari ’55 en ’57”:
we waren jong en licht bekrast, asemden in gekantklost ijs op enkelvoudig vensterglas een kijkgat op de wereld: buiten flikflooiden tortelduiven jongens martelden winterjuffers, boven de waterput, meisjes droegen mimiek en sjaal naar hun kleinste sneeuwpop
nu we ouder zijn, zuiniger op woorden, het leven zelfreinigend bleek, onze rug verder zinkt zijn wij uit het eigengereid gelijk en uit alle liefde die geen kant op kon van dat jong driest hoofd geraasd
we missen alleen nog de handoplegging van een goedmenende herder, een kruisje op ons voorhoofd om ons te bewaren voor al die gissende nachten met zwervende kinderen op kousenvoeten
nog altijd staan we te ademen in die pentekening van ijs op dun vensterglas kijken nu dwars doorheen het vlies van keurige etalages naar het gestage grote verdwijnen
Goede poëzie kan men letterlijk lezen, dan wel figuurlijk. Men kan er zelf inhoud in bewaren als in een vertrouwd nest. Ik kan er vol afschuw op reageren, jij geheel anders.
De poëzie is niet dood. Niet zolang de Arianes van deze wereld blijven schrijven. QED.
Zeven januari jongstleden(*) durfde ik een eerste keer op het podium van De Sprekende Ezels te stappen, om er vervolgens mijn ‘Korte ode aan de schoonheid’ te brengen. En omdat ik nu eenmaal een dichter ben, stopte ik daar enkele gedichten in. (*) na het lezen van deze ode snapt u waarom ik ‘zeven’ en ‘jongstleden’ schrijf en niet ‘7’ en ‘jl.’.
Korte ode aan de schoonheid.
Geacht publiek, ik zal proberen de tekst die ik meebracht, in de mij schamel toebedeelde tien minuten te wringen, om het over een mysterieus, ongrijpbaar begrip te hebben, namelijk de Schoonheid. En omdat ik het als dichter niet laten kan, zal ik dit stofferen met enkele van mijn gedichten. Ik zal het hebben over het schone van het kleine en het banale. Over de schoonheid van het absurde, en het vergankelijke.
In onze moedertaal gebruiken wij vaak het woord schoon om iets aan te duiden dat een lukraak bevraagde Nederlander mooi zou noemen. Er schuilt echter een belangrijk onderscheid tussen het ietwat ordinaire mooi, en -u merkt het dadelijk- het verheven schoon. Net zoals in de voorgaande zin de woorden ‘er schuilt…‘ nét iets meer uitdrukken dan dat iets alleen maar ‘ergens in zit’ …is schoon nobeler dan mooi.
Mooi is een meisje dat in een bloemenveld zit te mijmeren. We gebruiken het wanneer we bijvoorbeeld haar gelaatstrekken, haar profiel willen roemen. Mooi is dus iets dat zich aan het oppervlak bevindt, het past in ons esthetisch kraam. Mooi is de brave symmetrie, de harmonie in de melodie, het gemak van rijm, de schikking ener tafel.
Schoon is daarentegen de bedoeling die iets ondersteunt, zoals -één zin geleden- het opzettelijke gebruik van ‘ener’, in plaats van ‘van een’. Daardoor is die tafelschikking nét iets schoner dan dat melodietje harmonieus. Schoon is datgene dat al mooi wás maar daarenboven: zó naakt en trefbaar, dat het tegelijk ook een beetje lelijkheid, droefheid in zich meedraagt. Over het schone van het kleine verdriet schreef ik het gedicht Modelvliegtuig. Toen, lang geleden, mijn vader ons gezin verliet, bleven enkele van zijn radiogestuurde tuigen op zolder achter. Of hoe het kleine soms tot het grote leidt:
Modelvliegtuig
Als model voor een leven liggen halve vleugels en een ontkoppeld richtingsroer op de zolderkamer.
Het ruikt er naar harde lijm van een, eens uitgevouwen, lange vlucht naar het vermoeden van de lucht naar een spanwijdte op grote schaal.
Als plan voor een leven vind ik losse onderdelen, vijzen die rikketikken in een plastic bakje tussen stof dat in de hoeken kroop.
Ze rollen over elkaar de kromme tussen de kleine die ene die nergens past van nog andere te veel, als overschot gelaten.
Ik bouw aan het kleine, voor het grote ongeacht of het vliegt of aan de grond genageld blijft.
Schoon heeft die schurende ‘sch’ die de lange, en daardoor net iets nadrukkelijkere ‘oo’ aankondigt, om dan af te ronden met de zachte, doch gedecideerde ‘n’. Schoon is, ofschoon plechtig, formeel, ietwat slepend, voortschrijdend, wel belangrijk, want: het is net datgene dat ons raakt. Ook en misschien vooral in het banale. En daarover schreef ik het gedicht:
Het bestek
Een man zit op een stoel aan een tafel. Hij eet nog niet van zijn soep, in de plaats daarvan monstert hij de lepel, het bord, het servet.
Lepel, bord en servet zijn een soort drievuldigheid, ze kunnen niet zonder elkaar. Dat toch proberen, mag.
Het ogenschijnlijk minst belangrijke onderdeel (het servet) vertoont een vochtige rimpel. Daar heeft de gebruikte lepel zich al bij neergelegd, meteen het lot van het servet beslecht en het niveau van de soep een millimeter doen zakken. En ze peilde al ondiep.
De lepel heeft wat van zijn glans verloren sinds hij zichzelf in de soep heeft verdiept om er een oppervlakkige smaak in te ontdekken die met geen korrel zout te plaatsen valt.
Het bord draagt deze last in de volle breedte van de betekenis. Het beschouwt zich dan ook als het meest belangrijke van het trio. Het hoofd, als het ware, dat hij van verkoeling tracht te voorzien.
De man zit op de stoel aan de tafel. Hij eet terwijl hij het drievoudige spel speelt, de restjes soep uit het bord wrijft, het servet vergeefs gladstrijkt, vooral het metaal van de lepel verslijt.
Tot in het diepe van onze ziel dringt schoon binnen, om er de zaken door elkaar te halen, net wanneer wij dachten alles op een rijtje te hebben. We trachten het Schone te verknechten, met een krullende hoofdletter in woorden te vatten, maar… we spreken vaak naast de kwestie, vinden de juiste termen niet, en dansen dan maar rond de hete brij. Of we graven er te diep in, en denken dat we schoonheid kunnen creëren… om ze dan weer te vernietigen, Banksy style. Dan blijkt dat de schoonheid ten prooi is gevallen aan onze analyse. To dissect is to kill. Citaat van een onbekende, maar hij of zij wist het wel. Uiteindelijk blijkt soms dat we op het verkeerde hebben gemikt, dat het Schone alreeds rondomons was.
Deze voorlopige conclusie over het schone van het absurde leidt mij tot het derde en voorlaatste gedicht, dat onomstotelijk bewijst, jawel, dat Kracht noch Wijsheid kunnen zonder de derde pijler, hoe kan u het raden: de kolom van de Schoonheid…
Geen huis
Aangezien we op onszelf geen huis zijn gaan we aan de slag, met nieuwe handen.
De groeven nog ondiep en vrij van stof glipt er heel wat weg, gevallen materialen stapelen zich rond ons op.
Onze ogen herkennen nog geen lood we voegen water bij nog ongemengde specie, leggen dakpannen van boven naar beneden. We leren het rekenen af en schatten ons gemiddeld rijk.
Uiteindelijk planten we een boom naast het huis dat nog niet af is en zien we dat uit de schouw al jaren rook komt.
Ontneem dus nooit iemand het kleine, het banale, en al zeker niet het absurde. Je vermoordt de schoonheid, en die drijft ons, het is de ‘stuff’ waaruit we zijn gemaakt tot mens. Ook al komen we ongevraagd met één schreeuw uit het onnoemelijk grote zwart, en gaan we al even snel terug naar die machtige afgrond, met één laatste zucht. Over het schone van het tijdelijke van ons bestaan, het vierde en voorlopig laatste gedicht:
We hadden bijna.
We hadden bijna de bloei van de magnolia’s gemist.
Die met hun tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk, de enige bestaansreden intomen van het betonnen geweld.
Volgens een seizoentraditie komen ze kortstondig de toestand der dingen noteren.
Met miniaturen van altijd wit en klassiek roze, kleine onbeschreven post-its, alleen amper zichtbaar tezamen een patroon, weggestrooid.
Een bad van kleur waarin verschiet, een grillig lentetapijt. Het weinige van de grote interventies.
U ziet, om af te ronden:
het grote schuilt in het ogenschijnlijk kleine, nét het banale maakt ons speciaal en schoon, het schone van het absurde zit in het gebrek aan vervelende logica,
en kijk, hoe schoon, tenslotte:
het meest vluchtige is het meest substantiële.
Tot zover mijn ode aan de Schoonheid. Ik heb enkele schone uren beleefd aan het schrappen van alles wat er overbodig aan was. Het zal niet af geraken. En, oh ja: zeg vanaf nu niet meer dat iemand mooi moet schrijven waar hij of zij schoon gebruikte. Iets geheel anders werd misschien bedoeld.
Even terug in de tijd. Dit gedicht werd opgenomen in de bundel Door kale bomen bladeren, uitgegeven ter gelegenheid van de Poemtata poëziewedstrijd 2023.
Vijf jaar duurde het. Een lustrum van lezen, schrijven, schrappen. En nu ben ik hier dus terug. Mijn eerste daad? Alle oude berichten verwijderen en vers van de pers opnieuw beginnen.
Binnen tien dagen word ik rekenkundig-biologisch grootvader. Dat nieuwe zal er ongetwijfeld voor iets tussen zitten. Hopelijk hou ik het vol. Het schrijven en bloggen, niet het grootouderschap.