Jong talent

Voor de kaft van mijn debuutbundel Staat van genade wilde ik iets dat dicht bij me stond. Het schilderij De garde van mijn zoon Noah Haeck Gormez voelde meteen juist: een werk vol spanning en stilte, met lijnen die tegelijk ordenen en ontregelen. Het blijft me telkens opnieuw boeien.

Maar een schilderij op een boekomslag vraagt een extra stap: iemand die het beeld vangt zoals het bedoeld is. Josephine Bruynings deed dat voor mij, met een scherp oog en een groot gevoel voor detail. Ik kwam even om het hoekje kijken toen ze aan het werk was, gebogen over het doek, zoekend naar het juiste licht. Het was bijzonder om te zien hoe haar aandacht en zorg dit werk een nieuwe laag meegaven.

Zo werd de kaft een samenwerking van mensen die me nauw aan het hart liggen. Binnenkort mag ik het resultaat eindelijk in handen nemen, samen met jullie. Nog even geduld…

Een droom wordt werkelijkheid.

Met stille trots mag ik delen dat mijn bundel Staat van genade de eerste prijs kreeg in de Vijfde Zeef Poëzieprijs.
Dat betekent dat er dit najaar een heuse bundel verschijnt… met mijn naam op de kaft. Stel je voor.
De jury schreef bij de mededeling van de uitslag onder meer:

“De bundel is zeer communicatief zonder in expliciete verwoording te vervallen. Ondanks de bonte beeldspraak slaagt (de dichter) erin een grote helderheid te bewaren en strikt bij zijn diverse thema’s te blijven. De gedichten zijn gecondenseerd, mooi ingeklemd onder het principe ‘min is meer’. De dichter verstaat de kunst van het suggereren en trekt zo de gemotiveerde lezer vlot binnen in de magie van zijn gedichten.”

Ik vond, eerlijk, het behalen van de shortlist al een persoonlijk succes. Daarom voelt deze erkenning des te groter.
Binnenkort verschijnt er een mini-interview met mij in VERZIN, het tijdschrift van Creatief Schrijven. Zo kan de lezer al iets meer te weten komen over ‘de auteur’. Dat wordt wennen.

Dank aan iedereen die me onderweg heeft gesteund met opbeurende woorden en opbouwende kritieken. Ik barst haast van enthousiasme (en zat vanochtend alweer te schrijven).

Ik dacht terug aan (de late avonden maar vooral) de vroege ochtenden, rond zes uur: ik zat alleen met mijn pen en toch voelde ik me nooit eenzaam.
Wordt vervolgd.

Schoonheid.

Zeven januari jongstleden(*) durfde ik een eerste keer op het podium van De Sprekende Ezels te stappen, om er vervolgens mijn ‘Korte ode aan de schoonheid’ te brengen. En omdat ik nu eenmaal een dichter ben, stopte ik daar enkele gedichten in.
(*) na het lezen van deze ode snapt u waarom ik ‘zeven’ en ‘jongstleden’ schrijf en niet ‘7’ en ‘jl.’.

Korte ode aan de schoonheid.

Geacht publiek, ik zal proberen de tekst die ik meebracht, in de mij schamel toebedeelde tien minuten te wringen, om het over een mysterieus, ongrijpbaar begrip te hebben, namelijk de Schoonheid. En omdat ik het als dichter niet laten kan, zal ik dit stofferen met enkele van mijn gedichten.
Ik zal het hebben over het schone van het kleine en het banale. Over de schoonheid van het absurde, en het vergankelijke.

In onze moedertaal gebruiken wij vaak het woord schoon om iets aan te duiden dat een lukraak bevraagde Nederlander mooi zou noemen.
Er schuilt echter een belangrijk onderscheid tussen het ietwat ordinaire mooi, en -u merkt het dadelijk- het verheven schoon. Net zoals in de voorgaande zin de woorden ‘er schuilt…‘ nét iets meer uitdrukken dan dat iets alleen maar ‘ergens in zit’ …is schoon nobeler dan mooi.

Mooi is een meisje dat in een bloemenveld zit te mijmeren. We gebruiken het wanneer we bijvoorbeeld haar gelaatstrekken, haar profiel willen roemen. Mooi is dus iets dat zich aan het oppervlak bevindt, het past in ons esthetisch kraam. Mooi is de brave symmetrie, de harmonie in de melodie, het gemak van rijm, de schikking ener tafel.

Schoon is daarentegen de bedoeling die iets ondersteunt, zoals -één zin geleden- het opzettelijke gebruik van ‘ener’, in plaats van ‘van een’. Daardoor is die tafelschikking nét iets schoner dan dat melodietje harmonieus. Schoon is datgene dat al mooi wás maar daarenboven: zó naakt en trefbaar, dat het tegelijk ook een beetje lelijkheid, droefheid in zich meedraagt. Over het schone van het kleine verdriet schreef ik het gedicht Modelvliegtuig. Toen, lang geleden, mijn vader ons gezin verliet, bleven enkele van zijn radiogestuurde tuigen op zolder achter. Of hoe het kleine soms tot het grote leidt:

Als model voor een leven
liggen halve vleugels
en een ontkoppeld richtingsroer
op de zolderkamer.

Het ruikt er naar harde lijm
van een, eens uitgevouwen, lange vlucht
naar het vermoeden van de lucht
naar een spanwijdte op grote schaal.

Als plan voor een leven
vind ik losse onderdelen, vijzen
die rikketikken in een plastic bakje
tussen stof dat in de hoeken kroop.

Ze rollen over elkaar
de kromme tussen de kleine
die ene die nergens past
van nog andere te veel, als overschot gelaten.

Ik bouw aan het kleine, voor het grote
ongeacht of het vliegt
of aan de grond genageld blijft.

Schoon heeft die schurende ‘sch’ die de lange, en daardoor net iets nadrukkelijkere ‘oo’ aankondigt, om dan af te ronden met de zachte, doch gedecideerde ‘n’.
Schoon is, ofschoon plechtig, formeel, ietwat slepend, voortschrijdend, wel belangrijk, want: het is net datgene dat ons raakt. Ook en misschien vooral in het banale.
En daarover schreef ik het gedicht:

Een man zit op een stoel aan een tafel.
Hij eet nog niet van zijn soep,
in de plaats daarvan monstert hij de lepel, het bord, het servet.

Lepel, bord en servet zijn een soort drievuldigheid,
ze kunnen niet zonder elkaar. Dat toch proberen, mag.

Het ogenschijnlijk minst belangrijke onderdeel
(het servet) vertoont een vochtige rimpel.
Daar heeft de gebruikte lepel zich al bij neergelegd,
meteen het lot van het servet beslecht

en het niveau van de soep een millimeter doen zakken.
En ze peilde al ondiep.

De lepel heeft wat van zijn glans verloren sinds
hij zichzelf in de soep heeft verdiept
om er een oppervlakkige smaak in te ontdekken
die met geen korrel zout te plaatsen valt.

Het bord draagt deze last in de volle breedte van de betekenis.
Het beschouwt zich dan ook
als het meest belangrijke van het trio.
Het hoofd, als het ware, dat hij van verkoeling tracht te voorzien.

De man zit op de stoel aan de tafel.
Hij eet terwijl hij het drievoudige spel speelt, de restjes soep
uit het bord wrijft, het servet vergeefs gladstrijkt,
vooral het metaal van de lepel verslijt.

Tot in het diepe van onze ziel dringt schoon binnen, om er de zaken door elkaar te halen, net wanneer wij dachten alles op een rijtje te hebben. We trachten het Schone te verknechten, met een krullende hoofdletter in woorden te vatten, maar… we spreken vaak naast de kwestie, vinden de juiste termen niet, en dansen dan maar rond de hete brij. Of we graven er te diep in, en denken dat we schoonheid kunnen creëren… om ze dan weer te vernietigen, Banksy style. Dan blijkt dat de schoonheid ten prooi is gevallen aan onze analyse. To dissect is to kill. Citaat van een onbekende, maar hij of zij wist het wel.
Uiteindelijk blijkt soms dat we op het verkeerde hebben gemikt, dat het Schone alreeds rondom ons was.

Deze voorlopige conclusie over het schone van het absurde leidt mij tot het derde en voorlaatste gedicht, dat onomstotelijk bewijst, jawel, dat Kracht noch Wijsheid kunnen zonder de derde pijler, hoe kan u het raden: de kolom van de Schoonheid…

Aangezien we op onszelf geen huis zijn
gaan we aan de slag, met nieuwe handen.

De groeven nog ondiep en vrij van stof
glipt er heel wat weg, gevallen materialen
stapelen zich rond ons op.

Onze ogen herkennen nog geen lood
we voegen water bij nog ongemengde specie,
leggen dakpannen van boven naar beneden.
We leren het rekenen af
en schatten ons gemiddeld rijk.

Uiteindelijk planten we een boom
naast het huis dat nog niet af is
en zien we dat uit de schouw
al jaren rook komt.

Ontneem dus nooit iemand het kleine, het banale, en al zeker niet het absurde. Je vermoordt de schoonheid, en die drijft ons, het is de ‘stuff’ waaruit we zijn gemaakt tot mens. Ook al komen we ongevraagd met één schreeuw uit het onnoemelijk grote zwart, en gaan we al even snel terug naar die machtige afgrond, met één laatste zucht. Over het schone van het tijdelijke van ons bestaan, het vierde en voorlopig laatste gedicht:

We hadden bijna de bloei van de magnolia’s gemist.

Die met hun tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk,
de enige bestaansreden intomen van het betonnen geweld.

Volgens een seizoentraditie komen ze
kortstondig de toestand der dingen noteren.

Met miniaturen van altijd wit en klassiek roze,
kleine onbeschreven post-its, alleen amper zichtbaar
tezamen een patroon, weggestrooid.

Een bad van kleur waarin verschiet, een grillig lentetapijt.
Het weinige van de grote interventies.

U ziet, om af te ronden:

het grote schuilt in het ogenschijnlijk kleine,
nét het banale maakt ons speciaal en schoon,
het schone van het absurde zit in het gebrek aan vervelende logica,

en kijk, hoe schoon, tenslotte:

het meest vluchtige is het meest substantiële.

Tot zover mijn ode aan de Schoonheid. Ik heb enkele schone uren beleefd aan het schrappen van alles wat er overbodig aan was. Het zal niet af geraken.
En, oh ja: zeg vanaf nu niet meer dat iemand mooi moet schrijven waar hij of zij schoon gebruikte. Iets geheel anders werd misschien bedoeld.