Reuzenschouders: Jos Daelman (1937-2021)

Long read alert: 5 heuse minuten.

Een kalme stem in een luidruchtige wereld.

Dat is zowat de beste omschrijving die ik kan verzinnen voor Jos. Jos Daelman. Ik ontmoette hem samen met zijn echtgenote Yolanda op een zaterdag. Ik vervulde de rol van chauffeur en haalde hen op aan hun woonst in Axel, om hen naar Gent te brengen. Ze stonden stipt op tijd klaar, arm in arm op het voetpad, en stapten gibberend en taterend in de wagen. We lijken wel een koningspaar, zei Jos, trots naast zijn eega op de achterbank. Ik was op slag verliefd.

Die dag vond in Gent een reünie van senioren plaats, gekoppeld aan een lunch met aangepaste wijnen. Er waren bijna honderd mensen. Enkele plaatsen van hen verwijderd zag ik ze onvermoeid praten, amper hoorbaar door het helse lawaai aan de lange tafels. Af en toe bedwong ik een glimlach. Enkele uren later maakten we de omgekeerde beweging, terug naar hun flat in Axel. Bij aankomst was er voor Yolanda geen onderhandelen aan: ik zou nog binnenkomen voor een glas. Het werd koffie, geflankeerd door een assortiment koekjes, netjes in een schaal geschikt. Schubert werd met zorg gekozen en in de cd-speler gelegd. Single malt kwam uit de kast. Jos, de kalme Jos, zweeg geen minuut.

Twee uur later stapte ik naar buiten, hart en ziel omzwachteld tegen de regen die me doelloos in het gezicht striemde. De geur van twee uitzonderlijke mensen nog aan mijn kaken.

***
Sommige dichters zoeken het podium, anderen zoeken de luwte. Jos Daelman hoorde duidelijk bij die tweede soort. Hij was jarenlang bibliothecaris in Antwerpen en mede daardoor een man die woorden eerder fluisterde dan riep. Bleven ze precies daardoor bij mij hangen?
In zijn poëzie keerde Jos Daelman vaak terug naar hetzelfde terrein: landschap, tijd, verlies, het onuitspreekbare dat onder elk woord zindert. Zijn poëzie was nooit grootsprakerig. Eerder het tegenovergestelde: ze ging over een kleine verschuiving in het licht, een beweging van een mens, iets dat plots iets anders onthult.
Wat mij ook trof aan Jos, is hoe hij zonder drama over de kwetsbaarheid van het (/zijn) lichaam kon schrijven. In zijn laatste bundel Oase spreekt de ziekte van Parkinson als een onaangekondigde gast die in huis komt wonen… eerlijk en zonder sentiment.
Jos toonde dat poëzie niet groter hoeft te zijn dan het leven zelf. Vaak is het genoeg om rond te kijken, te noteren wat beweegt en te vertrouwen dat iemand die woorden later zal oppakken.
***

(uit de bundel Oase, 2020)

Jos Daelman was van 1994 tot 2012 docent poëzie aan de Schrijversacademie van Antwerpen. Zijn onderwijs ging uit van zijn eigen visie op poëzie, die hij uitvoering behandelt in zijn boek De Rouwvlinder, en dat is dan ook een aanrader voor elke dichter of poëzieliefhebber.

Het eerste bezoek aan Axel werd al snel gevolgd door een tweede, een derde. Want tijdens onze eerste ontmoeting was al gebleken dat één Groot Ding, naast barokmuziek en whisky, ons verbond: poëzie. Ik had al van Jos’ werk gehoord, ik bezat ook één van zijn bundels (Iedereen afwezig uit 2003) en gaf die eerste zaterdag schoorvoetend toe dat ik pogingen had ondernomen, zelf te schrijven. Zijn ogen flikkerden meteen van plezier. Hij vroeg me om eens terug te komen, met mijn werk.

Ik noemde mijn gedichten ‘work-in-progress’. Jos zei: “Het leven zelf is een work-in-progress, dus wat wil je meer?”

Stap voor stap begeleidde Jos me in het lezen en analyseren van mijn gedichten. Zijn positieve feedback was ruim bemeten, zijn verbeteringen subtiel en vrijblijvend. Hij gaf me vele leestips. Tijdens corona stuurde ik mijn schrijfsels per fax en belde hij me op om de gedichten regel per regel te overlopen. Toen we eindelijk terug vrij mochten reizen en we samen aan zijn grote tafel zaten, gaf ik hem schoorvoetend iets toe. “Jos”, zei ik, “ik moet je iets vertellen”. “Ach zo?” antwoordde hij nieuwsgierig. “Ja, ik heb me ingeschreven voor een cursus. Een soort poëzieklas. Bij een zekere Roel Richelieu Van Londersele.” Jos zweeg seconden.

En toen zei hij, met zijn zachte stem: “Ik had gehoopt dat je tot dat besluit zou komen.”

En zo geschiedde. Elke 4-5 weken stuurde ik Jos mijn gedichten. Hij glimlachte veelvuldig door de telefoon.

Helaas leed Jos aan Parkinson (daarover gaat Oase ook) en spijts een inplanting van een apparaatje om zijn tremor onder controle te houden, verloor hij veel kracht in zijn lichaam. Het was stilaan welletjes. Op 30 januari 2021 koos hij voor een actief einde van zijn mooie leven.

Wat men toen nog niet wist, was dat ook Yolanda ernstig ziek was. Amper vijf weken later overleed ze. De klap voor de familie was immens.

Ik bewaar de herinnering aan Jos en Yolanda dicht bij me. Maar bij de lancering van mijn eigen debuut miste ik toch twee mooie mensen. Een dichter en zijn muze.

(uit de bundel De landschapstuin, 1980)

Oktober: De Zeef van de Maand

Ook deze maand bleef ik weer hangen in De Zeef Van De Maand‘Welke zeef?’ hoor ik sommigen al mompelen.

Wel, Uitgeverij De Zeef, een initiatief van Charles Ducal en Roel Richelieu Van Londersele, organiseert niet alleen de Zeef Poëzieprijs, maar buigt zich ook maandelijks over de vele inzendingen die hen per mail(*) bereiken. Het zijn namelijk díe dichters die, als enigen, een forum bieden aan aspiranten, debutanten of hoe je de enthousiast dichtende medemens ook wil noemen, om hun poëzie te toetsen aan de harde steen van het vakmanschap. Als enigen… in de Benelux dan nog wel, en dat geheel onbezoldigd.

Een heildronk dus op Ducal en Van Londersele, voor hun onverdroten streven om Vlaming en Nederlander een poëtisch forum te schenken.

Deze maand sta ik in de zeef met drie gedichten: Wat niet gezegd wordt, Als en Zwart.
Ze mogen daar de hele maand wat sudderen – samen met een reeks andere gedichten die beslist het lezen waard zijn.

(*) P.S.: wie zelf iets wil inzenden moet wel een béétje moeite doen om het e-mailadres op de website te vinden… De redactie wordt immers nu al overspoeld door de poëtische uitingen van talloze Nederlandstalige amateurs.

Enne, vergeet niet: het woord ‘amateur’ komt van amare – Latijn voor houden van.

Jong talent

Voor de kaft van mijn debuutbundel Staat van genade wilde ik iets dat dicht bij me stond. Het schilderij De garde van mijn zoon Noah Haeck Gormez voelde meteen juist: een werk vol spanning en stilte, met lijnen die tegelijk ordenen en ontregelen. Het blijft me telkens opnieuw boeien.

Maar een schilderij op een boekomslag vraagt een extra stap: iemand die het beeld vangt zoals het bedoeld is. Josephine Bruynings deed dat voor mij, met een scherp oog en een groot gevoel voor detail. Ik kwam even om het hoekje kijken toen ze aan het werk was, gebogen over het doek, zoekend naar het juiste licht. Het was bijzonder om te zien hoe haar aandacht en zorg dit werk een nieuwe laag meegaven.

Zo werd de kaft een samenwerking van mensen die me nauw aan het hart liggen. Binnenkort mag ik het resultaat eindelijk in handen nemen, samen met jullie. Nog even geduld…

Voorpublicatie: Wat niet gezegd wordt

Het voelt bijzonder om voor het eerst iets uit mijn debuutbundel (Uitgeverij De Zeef, november) te delen.
De meeste gedichten wachtten in de luwte van mijn schriftjes, alleen voor mezelf en gedeeld met een handvol vertrouwelingen. Nu komt er die bundel waarin ze samen mogen staan en dat wil ik niet helemaal voor mezelf houden tot het moment van verschijnen.
Daarom vandaag een eerste voorpublicatie:

Wat niet gezegd wordt

Wat je zei vervaagt zodra je je arm
om de slapende kat op het bed legt.
Je wil haar wekken en toch ook niet.

Ik ben jaloers op de matras.
Je schouders zwijgen
maar hun stilte weegt.

Je woorden sluimeren diep in mijn buik
dwalen er zwaar rond
niet van plan om te vertrekken.

Ik wilde dat jij in míjn handen paste,
ik zou het vasthouden onthouden
zoals een boek dat zwaar leunt,
nog voor één woord is gelezen.

Soms zeg je veel zonder te spreken. Dat spanningsveld tussen stilte en gewicht fascineerde me tijdens het schrijven. Het is precies die onderstroom die ik met deze bundel wil oproepen.
Volgende keer geef ik de titel en de kaft prijs!

Een droom wordt werkelijkheid.

Met stille trots mag ik delen dat mijn bundel Staat van genade de eerste prijs kreeg in de Vijfde Zeef Poëzieprijs.
Dat betekent dat er dit najaar een heuse bundel verschijnt… met mijn naam op de kaft. Stel je voor.
De jury schreef bij de mededeling van de uitslag onder meer:

“De bundel is zeer communicatief zonder in expliciete verwoording te vervallen. Ondanks de bonte beeldspraak slaagt (de dichter) erin een grote helderheid te bewaren en strikt bij zijn diverse thema’s te blijven. De gedichten zijn gecondenseerd, mooi ingeklemd onder het principe ‘min is meer’. De dichter verstaat de kunst van het suggereren en trekt zo de gemotiveerde lezer vlot binnen in de magie van zijn gedichten.”

Ik vond, eerlijk, het behalen van de shortlist al een persoonlijk succes. Daarom voelt deze erkenning des te groter.
Binnenkort verschijnt er een mini-interview met mij in VERZIN, het tijdschrift van Creatief Schrijven. Zo kan de lezer al iets meer te weten komen over ‘de auteur’. Dat wordt wennen.

Dank aan iedereen die me onderweg heeft gesteund met opbeurende woorden en opbouwende kritieken. Ik barst haast van enthousiasme (en zat vanochtend alweer te schrijven).

Ik dacht terug aan (de late avonden maar vooral) de vroege ochtenden, rond zes uur: ik zat alleen met mijn pen en toch voelde ik me nooit eenzaam.
Wordt vervolgd.

In het teken van de poëzie

De dagen staan in het teken van (cliché alert!) Het Geschreven Woord…

  • Vanochtend naar de poëziefeedbackdag van Roel Richelieu Van Londersele
  • in het Gentse Poëziecentrum
  • waar aan de gevel het prachtige Schildersverdriet van Paul Snoek hangt
  • waar mijn medecursisten een brede waaier poëzie brachten en mijn vier nieuwe gedichten blijkbaar konden smaken
  • en dit alles in de aanloop naar 1 september… de finale van de Vijfde Zeef Poëzieprijs
  • en morgen (zondag) om 11u30 een kort interview op Radio Tequila, wie te ver van Deinze woont om het radiosignaal te ontvangen kan het makkelijk online beluisteren
  • om te vertellen dat twee Deinse dichters —Janis Derie en ik staan op de shortlist— van het collectief DONSAI kans maken te winnen.

Ziehier één van de gedichten die vandaag de klas overleefden en waaruit welgeteld één woord werd geschrapt… en nee: ik vertel niet welk woord!

En om af te sluiten, de grote Snoek aan ‘t woord:

Op de shortlist

Gisteren kondigde Uitgeverij De Zeef op haar website de shortlist van de Vijfde Zeef Poëzieprijs aan.

Groot nieuws!

Ik ben bij de laatste selectie!
The magificent seven worden we door de jury van De Zeef genoemd… wat een eer. Het betekent dat de kwaliteit van de deelnemers hoog ligt gestapeld — benieuwd wat daar uiteindelijk het resultaat van wordt… Maar ook als ik niet win kan het voor mij niet meer stuk. Tenslotte is leven schade oplopen, zoals het citaat op pagina één van mijn manuscript luidt:

In dit fragment uit het gedicht Modelvliegtuig (in de bundel) verwoord ik dat als volgt:

Ik wens mezelf succes… maar hoe kan dat bestaan zonder mislukkingen?

Op de longlist

Deze week ontving ik een bijzonder bericht: mijn poëziemanuscript is opgenomen op de longlist van de Vijfde Zeef Poëzieprijs. Deze prijs, georganiseerd door Uitgeverij De Zeef, richt zich op debuterende dichters. Het doet me veel plezier dat mijn werk in deze fase wordt meegenomen in de selectie.

De komende weken maakt de jury een keuze voor de shortlist, die bekendgemaakt wordt op 1 augustus. Ongeacht het verdere verloop is het een mooie aanmoediging om mijn werk te blijven ontwikkelen en delen.

Enkele versregels uit mijn manuscript:

Dank aan iedereen die me de afgelopen jaren heeft aangemoedigd. Ik hou je via deze blog op de hoogte van het vervolg.

Wil je automatisch bericht ontvangen als er nieuws is? Je kunt je inschrijven voor updates via de knop Abonneren onderaan deze pagina.

Stellen (II.)

Twee geesten rond zichzelf verweven.
Wolken, schrijft men in legendes,
die bliksemen waar ze elkaar
bedenken, ontmoeten, benoemen.

Ze delen hetzelfde doorkijkvenster
als in een zakje marshmallows
met een fijn laagje zetmeel gewapend
toch klevend aan de ander.

Uit dezelfde lucht gesneden
de één met een vleugje saharazand
de ander van kleien stof
zijn ze op hetzelfde bed beland,

elk net minder dan de helft.

mh 30.06.2021

Stellen (I.)

Twee vormen die elkaar nooit raken
de wind voelen en horen
niet zonder elkaar, niet met

bestaan uit dezelfde lijnen
die vlakken vormen, niet snijden
zó aan elkaar liggen,

twee dimensies mensen.
Ze kennen, ontkennen
stellen dezelfde vragen.

mh 30.06.2021

Partner in crime: Mahlu Mertens

De poëzie is niet dood, ze is springlevend!

Afgelopen zaterdag werd de tweede bundel van dichteres Mahlu Mertens voorgesteld in de foyer van het Arcatheater in Gent.
En wérd het een voorstelling! Na een bijzonder eloquente inleiding door Dr. Frauke Pauwels (van UA, ziehier) bracht Mahlu zelf, uit het hoofd en muzikaal begeleid door Elisabeth De Loore, haar poëzie op werve(le)nde wijze. Het publiek smulde van de unieke performance.

Het gedicht Wegwerpgeluk uit het hoofdstuk Vakjesvandalen van de nieuwe bundel:

Wegwerpgeluk

Ze wou dat ze een PET-fles was,
na eenmalig gebruik haar leven vervuld
netjes in de zak op straat gezet,
maandagochtend opgehaald.

Gerecycleerd tot fleece
een nieuwe kans, stockage in de kast
tot ze weer bij de kou past.

Of vermengd met andere vrouwen
verwerkt tot vloerbedekking
om een leven lang je voeten aan te vegen.

Ze wou dat ze een PET-fles was:
chemisch stabiel, niet kapot te krijgen,
maar ze is een vrouw,
niet gemaakt voor wegwerpgeluk.

© MM

Poëzie van (dit) niveau is in staat tegelijk ernstig en spottend te zijn: afhankelijk van hoe de lezer het gedicht leest, kan het alle kanten op. En laat dat nu net de basisidee van poëzie zijn: de dichter schrijft en geeft het af, de lezer maakt het volledig.

Dit gaat in tegen de idee dat ‘poëzie de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ is. Een benadering van poëzie die naar verluidt ontstond tijdens het fin de siècle-symbolisme en het romantisch individualisme, en beroemd werd door de Tachtigers, en meer bepaald door Willem Kloos (1859-1938). Kloos’ pleidooi voor een radicaal subjectivistische poëtica waarin het persoonlijke gevoel van de kunstenaar centraal staat, zonder dienstbaarheid aan religie, moraal of maatschappij valt makkelijk vanuit zijn tijdgeest te verklaren, maar is achterhaald en, helaas, hardnekkig.

Zie bijvoorbeeld het gedicht Decemberlicht (uit Inslaggaten), hoe universeel is dit…:

Decemberlicht

Vandaag zal niemand schilderen.
Je handen liggen op het witte laken,
jouw schildersoog ziet dit landschap niet,
de tubes blijven dicht, de penselen droog.

Mist ligt als een laag over gisteren.
De nacht was zonder indigo,
het ochtendlicht ongedefinieerd.
Onaf is de dag, een potloodschets
zonder kleur.

Niemand zet penseelstreken in de lucht.

© MM

Het gedicht begint en eindigt heel groot(s): niemand dit, niemand dat. Maar vanaf de tweede regel wordt het plots heel klein: ‘je handen’ / ‘jouw schildersoog’. De combinatie van het grote met het kleine zorgt voor een universele zetting: iedereen kan de betekenis van het gedicht invullen, wat geldt als regel woont tegelijk in jou, vandaag misschien iets meer dan morgen, maar weg is het nooit. De lezer neemt deel aan de poëzie.

Voilà. En als de lezer verder poëzie compleet wil maken, moet hij ervoor zorgen dat de poëzie blijft bestaan. De lezer kan dus haast niet anders dan deze bundel hier te bestellen: https://www.uitgeverijdezeef.be.

Alvast veel plezier / ontroering / weemoed / verwondering / herkenning / melancholie / spanning / verrassing / huiver / onbehagen / lachen / bevreemding / existentiële onrust(*) bij het lezen.
(*) schrappen wat vandaag niet past.

Reuzenschouders: Leonard Nolens

De uitdrukking Op de schouders van reuzen staan is het beroemdst in de vorm: If I have seen further, it is by standing on the shoulders of giants, vaak toegeschreven aan Isaac Newton, die zijn tijdgenoot Robert Hooke citeerde. De metafoor zou echter teruggaan tot minstens de 12e eeuw, althans als Johannes van Salisbury de woorden van Bernardus van Chartres dan weer correct heeft geciteerd: We are like dwarfs sitting on the shoulders of giants… (circa 1130).

In de context van poëzie gebruiken schrijvers deze metafoor om te benadrukken dat hun werk mogelijk wordt gemaakt door de groten vóór hen. Zie ook Remco Camperts uitspraak Schrijven is stelen van dieven.
Die zou het dan weer geleend hebben van T.S. Eliot: Immature poets imitate; mature poets steal; bad poets deface what they take, and good poets make it into something better, or at least something different.

Geschiedenis is nu eenmaal niet 100% eenduidig…

Het idee is dat we iets nieuws kunnen maken, omdat we voortbouwen op wat door eerdere meesters werd neergezet. Eén van die meesters is Leonard Nolens. Neem nu onderstaand gedicht. Nolens’ verzameld werk staat in mijn bibliotheek, maar dit kende ik niet. Ik googelde gewoon “gedicht leonard nolens” en dit kwam als eerste resultaat.

En ja, dan ben ik blij met mijn ‘ontdekking’.

Ritueel

Zij hebben ons hart ingepikt,
onze groei, onze poppen genekt,
onze tuin op de trein gezet,
ons verblind met hun lichtende as.

Zij hebben de zwarte zak
van hun afwezigheid strak
over ons heengetrokken
en toen onze oren verpest
met de ruis van hun hemelse spraak.

Dus waar ik vandaan kom, daar
moet je die opgebaarde
nog lichtjes blozende doden
lang en bedachtzaam slaan.

Leonard Nolens (Voorbijganger, 1999)

Daar is ze dan.

Daar is ze dan, de nieuwste telg van onze familie(s). Mijn kleindochter.
Ik laat haar naam nog buiten schot, ze verdient haar knusse en intieme plaats bij haar ouders, in haar echte leventje dat pas is begonnen. Ze weet nog niet hoe veilig en hoe onvoorwaardelijk de schoot van het gezin is.
En toch, een ruw en wild gedicht:

Nieuw leven

Plots ben je daar
en je heet helemaal niet Elisabeth
en ik sta verbijsterd.

Je bent een miniatuur van de miniatuur
die je van mij maakt,
met één onzekere, trefzekere blik
in mijn oude ogen.

Mijn hoofd zet een pas achteruit
mijn hart tien stappen naderbij.

Ik zie een nieuwe kern ontstaan
een arm die zich buigt rond een lichaam,
een licht gebogen schouder
de eerste troost, nog zonder taal.

Straks verlaat je de kamer en vat je de tocht aan.

mh 15.05.2025

Kleinkind op komst. (3)

Het is het laatste, dat beloof ik (kruist vingers achter zijn rug).

Er nestelt zich een sterrenhand in mijn bestaan
mijn eigen palm kan niet meer leeg zijn.
Ik knijp mijn arm, hij blijkt van staal vanbuiten,
vanbinnen van moeras.

Mijn borst geraakt verhit
ze lijkt gesmeed uit warmhoudplaat
het kloppen gaat nu hand in hand
twee ritmes opgeteld.

Weldra wordt een nieuwe klep gehuldigd
het scalpel ligt daar al, ontsmet.
In de greep van het verscholen wezen
sta ik model, uit fluweel en bijenwas.

Ik voel de hand al van de onbestaande.

mh 05.12.2024

Kleinkind op komst. (2)

Ik weet het, ik hou dit blogtempo nooit vol. Maar er is nu eenmaal sprake van enige urgentie…

Dit schreef ik in maart voor mijn toekomstige kleindochter:

Weldra geboren

Ik verzin je een naam als Elisabeth,
‘God heeft gezworen’
dat Hij tegen oevers water zal laten slaan,
dat een rivier zich ooit verlegt.

In elke bocht zal ik staan, of hurken uit onzekerheid
een seconde zal ik in je ogen kijken
van dichtbij. Zo dicht ik durf
bij de stroom.

Op een dag kijk je terug,
zal je met je handen van water
naar mijn oeverloze ogen wijzen en
een staf tussen de ovalen keien planten.

Er wordt gezegd dat wij ooit samen
zullen kunnen waden, stroomopwaarts.

mh 16.03.2025

Partner in crime: Ariane Vergult

De poëzie is dood, de poëzie is niet dood!

Het quasi complete gebrek aan poëzieonderricht tijdens de lessen Nederlands in het secundair onderwijs (het vijfde jaar heette in mijn tijd nog de poësis, anyone?), de desinteresse van -pakweg- de openbare omroep, de erbarmelijke verkoopcijfers van bundels met als gevolg het lage aantal debutanten dat bij ‘gevestigde’ uitgeverijen terechtkan: veel doet vermoeden dat het eerste deel van de zin hierboven waar is. En toch. Net zoals dat ene zaadje dat op een kurkdroge rots in de verzengende zon neervalt om dan toch te schieten, bestaan er nog steeds mensen die, los van alles, een eigen poëtica ontwikkelen door dagelijks te schaven aan hun gedichten. Om die vervolgens te delen onder hun gelijken op media als facebook of door (eerst aarzelend en dan enthousiast) geïmproviseerde podia te bestijgen en hun poëzie te declameren voor anderhalve man en een paardenkop in een bruin cultuurcafé.

Soms worden ze gedeeld op een blog. Bij deze.
Ik stel u voor: Ariane Vergult. Vrouw, moeder, grootmoeder, vriendin, mens, partner in crime in de poëzie, warmhartige dichter die récht vanuit de ziel schrijft: spontaan, energiek, nooit hoogdravend, over de sublieme én de afschuwelijke dingen van het leven. Sterk abstractie makend van wat groot is, en wat klein. Met een krachtig gevoel voor rechtvaardigheid, nooit met het vingertje. Zie: ze gaat haar gang, ze draagt het leven. En ze bleef nog een keer haperen in De Zeef van de Maand:

uit de verte een kind

er moet een land zijn voor dit kind
met bomen van vaders,
vijvers vol moeders, schaapjeswolken,
dampende pompoensoep op het vuur,

vingers die haar omtrek met de scheve staartjes 
blind schetsen
een warme trui voor haar breien,
een troon van marsepein voor haar bouwen
die haar oude vluchtroute over zee zoeten kan

er moet een ochtend voor dit kind komen
in een taal met lichtvoetige cadans en hapklare woordenschat,
fluistersprookjes langs de straten
met lange tafels vol helder water, voedzame potlucks
guirlandes en lampionnen met gemeende weesgegroets

dit kind zal eieren rapen, appels plukken,
fietsen met één hand,
en met de andere wuiven naar een minder ruwe zee
ver achter zich

Of neem nu dit gedicht dat ze in februari op facebook plaatste, met als voetnoot: “een ferm ouderwets gedichtje met weinig taalvondsten voor 7 februari ’55 en ’57”:

we waren jong en licht bekrast,
asemden in gekantklost ijs
op enkelvoudig vensterglas
een kijkgat op de wereld:
buiten flikflooiden tortelduiven
jongens martelden winterjuffers,
boven de waterput,
meisjes droegen mimiek en sjaal
naar hun kleinste sneeuwpop

nu we ouder zijn,
zuiniger op woorden,
het leven zelfreinigend bleek,
onze rug verder zinkt
zijn wij uit het eigengereid gelijk
en uit alle liefde die geen kant op kon
van dat jong driest hoofd geraasd

we missen alleen nog de handoplegging
van een goedmenende herder, een kruisje
op ons voorhoofd om ons te bewaren
voor al die gissende nachten
met zwervende kinderen op kousenvoeten

nog altijd staan we te ademen in
die pentekening van ijs
op dun vensterglas
kijken nu dwars doorheen het vlies van keurige etalages
naar het gestage grote verdwijnen

Goede poëzie kan men letterlijk lezen, dan wel figuurlijk. Men kan er zelf inhoud in bewaren als in een vertrouwd nest. Ik kan er vol afschuw op reageren, jij geheel anders.

De poëzie is niet dood. Niet zolang de Arianes van deze wereld blijven schrijven. QED.

Schoonheid.

Zeven januari jongstleden(*) durfde ik een eerste keer op het podium van De Sprekende Ezels te stappen, om er vervolgens mijn ‘Korte ode aan de schoonheid’ te brengen. En omdat ik nu eenmaal een dichter ben, stopte ik daar enkele gedichten in.
(*) na het lezen van deze ode snapt u waarom ik ‘zeven’ en ‘jongstleden’ schrijf en niet ‘7’ en ‘jl.’.

Korte ode aan de schoonheid.

Geacht publiek, ik zal proberen de tekst die ik meebracht, in de mij schamel toebedeelde tien minuten te wringen, om het over een mysterieus, ongrijpbaar begrip te hebben, namelijk de Schoonheid. En omdat ik het als dichter niet laten kan, zal ik dit stofferen met enkele van mijn gedichten.
Ik zal het hebben over het schone van het kleine en het banale. Over de schoonheid van het absurde, en het vergankelijke.

In onze moedertaal gebruiken wij vaak het woord schoon om iets aan te duiden dat een lukraak bevraagde Nederlander mooi zou noemen.
Er schuilt echter een belangrijk onderscheid tussen het ietwat ordinaire mooi, en -u merkt het dadelijk- het verheven schoon. Net zoals in de voorgaande zin de woorden ‘er schuilt…‘ nét iets meer uitdrukken dan dat iets alleen maar ‘ergens in zit’ …is schoon nobeler dan mooi.

Mooi is een meisje dat in een bloemenveld zit te mijmeren. We gebruiken het wanneer we bijvoorbeeld haar gelaatstrekken, haar profiel willen roemen. Mooi is dus iets dat zich aan het oppervlak bevindt, het past in ons esthetisch kraam. Mooi is de brave symmetrie, de harmonie in de melodie, het gemak van rijm, de schikking ener tafel.

Schoon is daarentegen de bedoeling die iets ondersteunt, zoals -één zin geleden- het opzettelijke gebruik van ‘ener’, in plaats van ‘van een’. Daardoor is die tafelschikking nét iets schoner dan dat melodietje harmonieus. Schoon is datgene dat al mooi wás maar daarenboven: zó naakt en trefbaar, dat het tegelijk ook een beetje lelijkheid, droefheid in zich meedraagt. Over het schone van het kleine verdriet schreef ik het gedicht Modelvliegtuig. Toen, lang geleden, mijn vader ons gezin verliet, bleven enkele van zijn radiogestuurde tuigen op zolder achter. Of hoe het kleine soms tot het grote leidt:

Als model voor een leven
liggen halve vleugels
en een ontkoppeld richtingsroer
op de zolderkamer.

Het ruikt er naar harde lijm
van een, eens uitgevouwen, lange vlucht
naar het vermoeden van de lucht
naar een spanwijdte op grote schaal.

Als plan voor een leven
vind ik losse onderdelen, vijzen
die rikketikken in een plastic bakje
tussen stof dat in de hoeken kroop.

Ze rollen over elkaar
de kromme tussen de kleine
die ene die nergens past
van nog andere te veel, als overschot gelaten.

Ik bouw aan het kleine, voor het grote
ongeacht of het vliegt
of aan de grond genageld blijft.

Schoon heeft die schurende ‘sch’ die de lange, en daardoor net iets nadrukkelijkere ‘oo’ aankondigt, om dan af te ronden met de zachte, doch gedecideerde ‘n’.
Schoon is, ofschoon plechtig, formeel, ietwat slepend, voortschrijdend, wel belangrijk, want: het is net datgene dat ons raakt. Ook en misschien vooral in het banale.
En daarover schreef ik het gedicht:

Een man zit op een stoel aan een tafel.
Hij eet nog niet van zijn soep,
in de plaats daarvan monstert hij de lepel, het bord, het servet.

Lepel, bord en servet zijn een soort drievuldigheid,
ze kunnen niet zonder elkaar. Dat toch proberen, mag.

Het ogenschijnlijk minst belangrijke onderdeel
(het servet) vertoont een vochtige rimpel.
Daar heeft de gebruikte lepel zich al bij neergelegd,
meteen het lot van het servet beslecht

en het niveau van de soep een millimeter doen zakken.
En ze peilde al ondiep.

De lepel heeft wat van zijn glans verloren sinds
hij zichzelf in de soep heeft verdiept
om er een oppervlakkige smaak in te ontdekken
die met geen korrel zout te plaatsen valt.

Het bord draagt deze last in de volle breedte van de betekenis.
Het beschouwt zich dan ook
als het meest belangrijke van het trio.
Het hoofd, als het ware, dat hij van verkoeling tracht te voorzien.

De man zit op de stoel aan de tafel.
Hij eet terwijl hij het drievoudige spel speelt, de restjes soep
uit het bord wrijft, het servet vergeefs gladstrijkt,
vooral het metaal van de lepel verslijt.

Tot in het diepe van onze ziel dringt schoon binnen, om er de zaken door elkaar te halen, net wanneer wij dachten alles op een rijtje te hebben. We trachten het Schone te verknechten, met een krullende hoofdletter in woorden te vatten, maar… we spreken vaak naast de kwestie, vinden de juiste termen niet, en dansen dan maar rond de hete brij. Of we graven er te diep in, en denken dat we schoonheid kunnen creëren… om ze dan weer te vernietigen, Banksy style. Dan blijkt dat de schoonheid ten prooi is gevallen aan onze analyse. To dissect is to kill. Citaat van een onbekende, maar hij of zij wist het wel.
Uiteindelijk blijkt soms dat we op het verkeerde hebben gemikt, dat het Schone alreeds rondom ons was.

Deze voorlopige conclusie over het schone van het absurde leidt mij tot het derde en voorlaatste gedicht, dat onomstotelijk bewijst, jawel, dat Kracht noch Wijsheid kunnen zonder de derde pijler, hoe kan u het raden: de kolom van de Schoonheid…

Aangezien we op onszelf geen huis zijn
gaan we aan de slag, met nieuwe handen.

De groeven nog ondiep en vrij van stof
glipt er heel wat weg, gevallen materialen
stapelen zich rond ons op.

Onze ogen herkennen nog geen lood
we voegen water bij nog ongemengde specie,
leggen dakpannen van boven naar beneden.
We leren het rekenen af
en schatten ons gemiddeld rijk.

Uiteindelijk planten we een boom
naast het huis dat nog niet af is
en zien we dat uit de schouw
al jaren rook komt.

Ontneem dus nooit iemand het kleine, het banale, en al zeker niet het absurde. Je vermoordt de schoonheid, en die drijft ons, het is de ‘stuff’ waaruit we zijn gemaakt tot mens. Ook al komen we ongevraagd met één schreeuw uit het onnoemelijk grote zwart, en gaan we al even snel terug naar die machtige afgrond, met één laatste zucht. Over het schone van het tijdelijke van ons bestaan, het vierde en voorlopig laatste gedicht:

We hadden bijna de bloei van de magnolia’s gemist.

Die met hun tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk,
de enige bestaansreden intomen van het betonnen geweld.

Volgens een seizoentraditie komen ze
kortstondig de toestand der dingen noteren.

Met miniaturen van altijd wit en klassiek roze,
kleine onbeschreven post-its, alleen amper zichtbaar
tezamen een patroon, weggestrooid.

Een bad van kleur waarin verschiet, een grillig lentetapijt.
Het weinige van de grote interventies.

U ziet, om af te ronden:

het grote schuilt in het ogenschijnlijk kleine,
nét het banale maakt ons speciaal en schoon,
het schone van het absurde zit in het gebrek aan vervelende logica,

en kijk, hoe schoon, tenslotte:

het meest vluchtige is het meest substantiële.

Tot zover mijn ode aan de Schoonheid. Ik heb enkele schone uren beleefd aan het schrappen van alles wat er overbodig aan was. Het zal niet af geraken.
En, oh ja: zeg vanaf nu niet meer dat iemand mooi moet schrijven waar hij of zij schoon gebruikte. Iets geheel anders werd misschien bedoeld.

Kleinkind op komst. (1)

Er is in mij een spoor getrokken
een bloedeloze kras
een zweem van iets, mij nu nog vreemd.

Bevangen door een glimp ben ik slechts schijn,
slechts wachten.

Ik leef dus met een extra stem,
een tweede blik, een eedverbond.
Een vastigheid, mij nu nog nieuw.

Een verre vriend heb ik erbij,
een compagnon, een medestrijder.

Een nog niet zijn, dat toch al blijvend is.
Er woont een reddeloos geluk in mij.

mh 02.12.2024