Binnen exact vijf dagen is het zover: dan hou ik mijn debuutbundel in mijn klamme handjes. Ik kan me er nog steeds weinig bij voorstellen. Eerlijk.
Negenendertig gedichten zullen op zesenvijftig bladzijden stollen, voor eeuwig. En ik kan er geen letter meer aan veranderen.
En houdt het dan op? Nee… wis en waarachtig, sinds ik weet dat ie er echt komt, ben ik verre van gestopt met schrijven, integendeel. Het is alsof de vonk van het debuut het vuur van een carrière heeft aangewakkerd.
Een carrière, huh, ik doe er meteen smalend over. Er Valt Geen Cent Mee Te Verdienen, Beste!, denk ik dan. Nou nee, maar ik doe het lekker toch.
De afgelopen weken heb ik vooral geschreven over en rond mijn vader. Ik heb daar nood aan. Nood aan het uitdrukken van de intense vriendschap en liefde die ik voor hem voel, en de dankbaarheid dat de samenloop van het leven me zo’n vader cadeau heeft gedaan. Hoe krakkemikkig klinkt het, in dit slecht proza.
Zo klinkt het, bijvoorbeeld, in mijn poëzie:
JE BENT ER NOG
uit een cyclus over mijn vader
De telefoon schreeuwt de dag in twee.
Je zegt, ik heb je brief ontvangen en
ja het is goed maar nu nog niet.
De tijd is aan het rijpen.
Ik wil je lokken naar het vroegste dat zich nestelde
in je geur, je kalme tred, je droge handen.
Over stekelbaarzen in de sloot
over hoe de grond wegzakte, toen
de koude baar je grote broertje buiten droeg.
Wie je bent weet ik allang,
maar kan ik het in zinnen gieten, laten stollen, bewaren,
voor als die grond onder mijn voeten, en daarna.
Matthias Haeck
Ik schreef in totaal vijf vadergedichten voor deze cyclus… pom pom pom, zou ik die hier ook publiceren?
