Reuzenschouders: Jos Daelman (1937-2021)

Long read alert: 5 heuse minuten.

Een kalme stem in een luidruchtige wereld.

Dat is zowat de beste omschrijving die ik kan verzinnen voor Jos. Jos Daelman. Ik ontmoette hem samen met zijn echtgenote Yolanda op een zaterdag. Ik vervulde de rol van chauffeur en haalde hen op aan hun woonst in Axel, om hen naar Gent te brengen. Ze stonden stipt op tijd klaar, arm in arm op het voetpad, en stapten gibberend en taterend in de wagen. We lijken wel een koningspaar, zei Jos, trots naast zijn eega op de achterbank. Ik was op slag verliefd.

Die dag vond in Gent een reünie van senioren plaats, gekoppeld aan een lunch met aangepaste wijnen. Er waren bijna honderd mensen. Enkele plaatsen van hen verwijderd zag ik ze onvermoeid praten, amper hoorbaar door het helse lawaai aan de lange tafels. Af en toe bedwong ik een glimlach. Enkele uren later maakten we de omgekeerde beweging, terug naar hun flat in Axel. Bij aankomst was er voor Yolanda geen onderhandelen aan: ik zou nog binnenkomen voor een glas. Het werd koffie, geflankeerd door een assortiment koekjes, netjes in een schaal geschikt. Schubert werd met zorg gekozen en in de cd-speler gelegd. Single malt kwam uit de kast. Jos, de kalme Jos, zweeg geen minuut.

Twee uur later stapte ik naar buiten, hart en ziel omzwachteld tegen de regen die me doelloos in het gezicht striemde. De geur van twee uitzonderlijke mensen nog aan mijn kaken.

***
Sommige dichters zoeken het podium, anderen zoeken de luwte. Jos Daelman hoorde duidelijk bij die tweede soort. Hij was jarenlang bibliothecaris in Antwerpen en mede daardoor een man die woorden eerder fluisterde dan riep. Bleven ze precies daardoor bij mij hangen?
In zijn poëzie keerde Jos Daelman vaak terug naar hetzelfde terrein: landschap, tijd, verlies, het onuitspreekbare dat onder elk woord zindert. Zijn poëzie was nooit grootsprakerig. Eerder het tegenovergestelde: ze ging over een kleine verschuiving in het licht, een beweging van een mens, iets dat plots iets anders onthult.
Wat mij ook trof aan Jos, is hoe hij zonder drama over de kwetsbaarheid van het (/zijn) lichaam kon schrijven. In zijn laatste bundel Oase spreekt de ziekte van Parkinson als een onaangekondigde gast die in huis komt wonen… eerlijk en zonder sentiment.
Jos toonde dat poëzie niet groter hoeft te zijn dan het leven zelf. Vaak is het genoeg om rond te kijken, te noteren wat beweegt en te vertrouwen dat iemand die woorden later zal oppakken.
***

(uit de bundel Oase, 2020)

Jos Daelman was van 1994 tot 2012 docent poëzie aan de Schrijversacademie van Antwerpen. Zijn onderwijs ging uit van zijn eigen visie op poëzie, die hij uitvoering behandelt in zijn boek De Rouwvlinder, en dat is dan ook een aanrader voor elke dichter of poëzieliefhebber.

Het eerste bezoek aan Axel werd al snel gevolgd door een tweede, een derde. Want tijdens onze eerste ontmoeting was al gebleken dat één Groot Ding, naast barokmuziek en whisky, ons verbond: poëzie. Ik had al van Jos’ werk gehoord, ik bezat ook één van zijn bundels (Iedereen afwezig uit 2003) en gaf die eerste zaterdag schoorvoetend toe dat ik pogingen had ondernomen, zelf te schrijven. Zijn ogen flikkerden meteen van plezier. Hij vroeg me om eens terug te komen, met mijn werk.

Ik noemde mijn gedichten ‘work-in-progress’. Jos zei: “Het leven zelf is een work-in-progress, dus wat wil je meer?”

Stap voor stap begeleidde Jos me in het lezen en analyseren van mijn gedichten. Zijn positieve feedback was ruim bemeten, zijn verbeteringen subtiel en vrijblijvend. Hij gaf me vele leestips. Tijdens corona stuurde ik mijn schrijfsels per fax en belde hij me op om de gedichten regel per regel te overlopen. Toen we eindelijk terug vrij mochten reizen en we samen aan zijn grote tafel zaten, gaf ik hem schoorvoetend iets toe. “Jos”, zei ik, “ik moet je iets vertellen”. “Ach zo?” antwoordde hij nieuwsgierig. “Ja, ik heb me ingeschreven voor een cursus. Een soort poëzieklas. Bij een zekere Roel Richelieu Van Londersele.” Jos zweeg seconden.

En toen zei hij, met zijn zachte stem: “Ik had gehoopt dat je tot dat besluit zou komen.”

En zo geschiedde. Elke 4-5 weken stuurde ik Jos mijn gedichten. Hij glimlachte veelvuldig door de telefoon.

Helaas leed Jos aan Parkinson (daarover gaat Oase ook) en spijts een inplanting van een apparaatje om zijn tremor onder controle te houden, verloor hij veel kracht in zijn lichaam. Het was stilaan welletjes. Op 30 januari 2021 koos hij voor een actief einde van zijn mooie leven.

Wat men toen nog niet wist, was dat ook Yolanda ernstig ziek was. Amper vijf weken later overleed ze. De klap voor de familie was immens.

Ik bewaar de herinnering aan Jos en Yolanda dicht bij me. Maar bij de lancering van mijn eigen debuut miste ik toch twee mooie mensen. Een dichter en zijn muze.

(uit de bundel De landschapstuin, 1980)

In het teken van de poëzie

De dagen staan in het teken van (cliché alert!) Het Geschreven Woord…

  • Vanochtend naar de poëziefeedbackdag van Roel Richelieu Van Londersele
  • in het Gentse Poëziecentrum
  • waar aan de gevel het prachtige Schildersverdriet van Paul Snoek hangt
  • waar mijn medecursisten een brede waaier poëzie brachten en mijn vier nieuwe gedichten blijkbaar konden smaken
  • en dit alles in de aanloop naar 1 september… de finale van de Vijfde Zeef Poëzieprijs
  • en morgen (zondag) om 11u30 een kort interview op Radio Tequila, wie te ver van Deinze woont om het radiosignaal te ontvangen kan het makkelijk online beluisteren
  • om te vertellen dat twee Deinse dichters —Janis Derie en ik staan op de shortlist— van het collectief DONSAI kans maken te winnen.

Ziehier één van de gedichten die vandaag de klas overleefden en waaruit welgeteld één woord werd geschrapt… en nee: ik vertel niet welk woord!

En om af te sluiten, de grote Snoek aan ‘t woord:

Partner in crime: Luc C. Martens

Voormalig stadsdichter van Deinze. Emeritus gewoon hoogleraar kindertandheelkunde. Auteur van maar liefst vijf bundels(1). Familieman. Voorzitter van Donsai. Publicaties in gerenommeerde literaire tijdschriften. Tal van prijzen en vermeldingen. Een dichter met een stem. Wat een palmares!

En toch.
Bescheiden, bevragend, luisterend. Eén van de meest trouwe deelnemers aan de schrijfcursussen van Roel Richelieu Van Londersele (2) bij vzw Wisper. Nooit te beroerd om bij te leren, suggesties te aanvaarden. Steeds bereid om constructieve kritiek te geven, voorzichtig suggererend, omdat hij rekening houdt met de kracht van zijn woorden. Diplomatisch wanneer het maar kan, met heldere stem de dingen juist stellend wanneer het nodig is.

Wat een kerel… maar heeft hij ook een zwak kantje? Ja, het is een West-Vlaming! Grapje, Luc.

Lucs website (3) is indrukwekkend volledig en geeft een mooie kijk op zijn werk. Daaruit een selectie maken is een lastige opdracht, dus raak ik het oeuvre slechts even aan, over de verschillende thema’s heen.

Over innerlijke vervreemding, moeite met heropleving en het contrast tussen de buitenwereld en het zelf:

ik kon de lente niet meer aan,
het optimisme van de bomen,
de wulpse tulpen en mijn beeld
in het blad van de abeelen

tegen een gesloten raam gevlogen,
vleugels gebroken, de bek dichtgeklapt
werd mijn kop oerwoud, geen enkel
spoor was mij bekend

geen nooduitgang, wat van mij
overbleef omhulsel en wat lucht.
alle dagen lang en zwart,
in de nachten, tunnelvrees

(uit de cyclus: Ik vloog tegen je raam, publ. Poëziekrant januari 2024)

Luc schuwt de grote onderwerpen niet. Over oorlog door kinderogen, over verlies, zorgzaamheid, stilte en een onvervuld verlangen naar menselijkheid:

kinderen, de ogen donker, ontsnapt aan kogels.
geen huis, geen school, geen moeder
angstig voor mensen zonder gezicht, voor
scherven van granaten, precies gericht.

als échte dokters stelpen Muhammed en Joussef
het bloed van onbekende vaders, hun veel te ruime,
witte schorten open. In deze stad valt elke naam,
stijgt de dood uit de grond, geven kinderen

hun laatste warmte, wordt Joussef dodelijk gewond.
Het laatste water in de ogen legt Muhammed hem
in de afgerukte armen van zijn moeder. de wangen
bleek verloren kinderen van Aleppo hun verleden,

lippen zwijgen een versteend verlangen

(Nominatie Melopee poëzieprijs 2017)

Over jeugdherinneringen vol schuld, zwijgen en het broze decor van dagelijkse dingen:

de ontsnapte parkiet, de tulpen
in hun knop in het vergiet, de fiets
zonder licht op het voetpad, de kersen
uit de boomgaard van de buren

naast de appels in de kelder verschrompelde
ik op het vergeelde krantenpapier,
gedroogde letters in mijn keel, bang
van poeder op de winteraardappelen

‘s avonds aan de keukentafel zweeg vader
een mond vol stilte en zure haring. ik nam
van de verplichte kaas, moeder schilde
oude letters van een belegen appel

(eerste prijs poëziewedstrijd Jules Van Campenhout (2012), en opgenomen in de bundel ‘Hoop op stille muren’ (2012))

Schrijf vooral verder, Luc. We lezen je steeds liever.

(1) zie https://luccmartens.be/gedichtenbundels
(2) zie https://roelrichelieuvanlondersele.be/
(3) zie https://luccmartens.be/

Partner in crime: Mahlu Mertens

De poëzie is niet dood, ze is springlevend!

Afgelopen zaterdag werd de tweede bundel van dichteres Mahlu Mertens voorgesteld in de foyer van het Arcatheater in Gent.
En wérd het een voorstelling! Na een bijzonder eloquente inleiding door Dr. Frauke Pauwels (van UA, ziehier) bracht Mahlu zelf, uit het hoofd en muzikaal begeleid door Elisabeth De Loore, haar poëzie op werve(le)nde wijze. Het publiek smulde van de unieke performance.

Het gedicht Wegwerpgeluk uit het hoofdstuk Vakjesvandalen van de nieuwe bundel:

Wegwerpgeluk

Ze wou dat ze een PET-fles was,
na eenmalig gebruik haar leven vervuld
netjes in de zak op straat gezet,
maandagochtend opgehaald.

Gerecycleerd tot fleece
een nieuwe kans, stockage in de kast
tot ze weer bij de kou past.

Of vermengd met andere vrouwen
verwerkt tot vloerbedekking
om een leven lang je voeten aan te vegen.

Ze wou dat ze een PET-fles was:
chemisch stabiel, niet kapot te krijgen,
maar ze is een vrouw,
niet gemaakt voor wegwerpgeluk.

© MM

Poëzie van (dit) niveau is in staat tegelijk ernstig en spottend te zijn: afhankelijk van hoe de lezer het gedicht leest, kan het alle kanten op. En laat dat nu net de basisidee van poëzie zijn: de dichter schrijft en geeft het af, de lezer maakt het volledig.

Dit gaat in tegen de idee dat ‘poëzie de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ is. Een benadering van poëzie die naar verluidt ontstond tijdens het fin de siècle-symbolisme en het romantisch individualisme, en beroemd werd door de Tachtigers, en meer bepaald door Willem Kloos (1859-1938). Kloos’ pleidooi voor een radicaal subjectivistische poëtica waarin het persoonlijke gevoel van de kunstenaar centraal staat, zonder dienstbaarheid aan religie, moraal of maatschappij valt makkelijk vanuit zijn tijdgeest te verklaren, maar is achterhaald en, helaas, hardnekkig.

Zie bijvoorbeeld het gedicht Decemberlicht (uit Inslaggaten), hoe universeel is dit…:

Decemberlicht

Vandaag zal niemand schilderen.
Je handen liggen op het witte laken,
jouw schildersoog ziet dit landschap niet,
de tubes blijven dicht, de penselen droog.

Mist ligt als een laag over gisteren.
De nacht was zonder indigo,
het ochtendlicht ongedefinieerd.
Onaf is de dag, een potloodschets
zonder kleur.

Niemand zet penseelstreken in de lucht.

© MM

Het gedicht begint en eindigt heel groot(s): niemand dit, niemand dat. Maar vanaf de tweede regel wordt het plots heel klein: ‘je handen’ / ‘jouw schildersoog’. De combinatie van het grote met het kleine zorgt voor een universele zetting: iedereen kan de betekenis van het gedicht invullen, wat geldt als regel woont tegelijk in jou, vandaag misschien iets meer dan morgen, maar weg is het nooit. De lezer neemt deel aan de poëzie.

Voilà. En als de lezer verder poëzie compleet wil maken, moet hij ervoor zorgen dat de poëzie blijft bestaan. De lezer kan dus haast niet anders dan deze bundel hier te bestellen: https://www.uitgeverijdezeef.be.

Alvast veel plezier / ontroering / weemoed / verwondering / herkenning / melancholie / spanning / verrassing / huiver / onbehagen / lachen / bevreemding / existentiële onrust(*) bij het lezen.
(*) schrappen wat vandaag niet past.

Reuzenschouders: Leonard Nolens

De uitdrukking Op de schouders van reuzen staan is het beroemdst in de vorm: If I have seen further, it is by standing on the shoulders of giants, vaak toegeschreven aan Isaac Newton, die zijn tijdgenoot Robert Hooke citeerde. De metafoor zou echter teruggaan tot minstens de 12e eeuw, althans als Johannes van Salisbury de woorden van Bernardus van Chartres dan weer correct heeft geciteerd: We are like dwarfs sitting on the shoulders of giants… (circa 1130).

In de context van poëzie gebruiken schrijvers deze metafoor om te benadrukken dat hun werk mogelijk wordt gemaakt door de groten vóór hen. Zie ook Remco Camperts uitspraak Schrijven is stelen van dieven.
Die zou het dan weer geleend hebben van T.S. Eliot: Immature poets imitate; mature poets steal; bad poets deface what they take, and good poets make it into something better, or at least something different.

Geschiedenis is nu eenmaal niet 100% eenduidig…

Het idee is dat we iets nieuws kunnen maken, omdat we voortbouwen op wat door eerdere meesters werd neergezet. Eén van die meesters is Leonard Nolens. Neem nu onderstaand gedicht. Nolens’ verzameld werk staat in mijn bibliotheek, maar dit kende ik niet. Ik googelde gewoon “gedicht leonard nolens” en dit kwam als eerste resultaat.

En ja, dan ben ik blij met mijn ‘ontdekking’.

Ritueel

Zij hebben ons hart ingepikt,
onze groei, onze poppen genekt,
onze tuin op de trein gezet,
ons verblind met hun lichtende as.

Zij hebben de zwarte zak
van hun afwezigheid strak
over ons heengetrokken
en toen onze oren verpest
met de ruis van hun hemelse spraak.

Dus waar ik vandaan kom, daar
moet je die opgebaarde
nog lichtjes blozende doden
lang en bedachtzaam slaan.

Leonard Nolens (Voorbijganger, 1999)

Partner in crime: Ariane Vergult

De poëzie is dood, de poëzie is niet dood!

Het quasi complete gebrek aan poëzieonderricht tijdens de lessen Nederlands in het secundair onderwijs (het vijfde jaar heette in mijn tijd nog de poësis, anyone?), de desinteresse van -pakweg- de openbare omroep, de erbarmelijke verkoopcijfers van bundels met als gevolg het lage aantal debutanten dat bij ‘gevestigde’ uitgeverijen terechtkan: veel doet vermoeden dat het eerste deel van de zin hierboven waar is. En toch. Net zoals dat ene zaadje dat op een kurkdroge rots in de verzengende zon neervalt om dan toch te schieten, bestaan er nog steeds mensen die, los van alles, een eigen poëtica ontwikkelen door dagelijks te schaven aan hun gedichten. Om die vervolgens te delen onder hun gelijken op media als facebook of door (eerst aarzelend en dan enthousiast) geïmproviseerde podia te bestijgen en hun poëzie te declameren voor anderhalve man en een paardenkop in een bruin cultuurcafé.

Soms worden ze gedeeld op een blog. Bij deze.
Ik stel u voor: Ariane Vergult. Vrouw, moeder, grootmoeder, vriendin, mens, partner in crime in de poëzie, warmhartige dichter die récht vanuit de ziel schrijft: spontaan, energiek, nooit hoogdravend, over de sublieme én de afschuwelijke dingen van het leven. Sterk abstractie makend van wat groot is, en wat klein. Met een krachtig gevoel voor rechtvaardigheid, nooit met het vingertje. Zie: ze gaat haar gang, ze draagt het leven. En ze bleef nog een keer haperen in De Zeef van de Maand:

uit de verte een kind

er moet een land zijn voor dit kind
met bomen van vaders,
vijvers vol moeders, schaapjeswolken,
dampende pompoensoep op het vuur,

vingers die haar omtrek met de scheve staartjes 
blind schetsen
een warme trui voor haar breien,
een troon van marsepein voor haar bouwen
die haar oude vluchtroute over zee zoeten kan

er moet een ochtend voor dit kind komen
in een taal met lichtvoetige cadans en hapklare woordenschat,
fluistersprookjes langs de straten
met lange tafels vol helder water, voedzame potlucks
guirlandes en lampionnen met gemeende weesgegroets

dit kind zal eieren rapen, appels plukken,
fietsen met één hand,
en met de andere wuiven naar een minder ruwe zee
ver achter zich

Of neem nu dit gedicht dat ze in februari op facebook plaatste, met als voetnoot: “een ferm ouderwets gedichtje met weinig taalvondsten voor 7 februari ’55 en ’57”:

we waren jong en licht bekrast,
asemden in gekantklost ijs
op enkelvoudig vensterglas
een kijkgat op de wereld:
buiten flikflooiden tortelduiven
jongens martelden winterjuffers,
boven de waterput,
meisjes droegen mimiek en sjaal
naar hun kleinste sneeuwpop

nu we ouder zijn,
zuiniger op woorden,
het leven zelfreinigend bleek,
onze rug verder zinkt
zijn wij uit het eigengereid gelijk
en uit alle liefde die geen kant op kon
van dat jong driest hoofd geraasd

we missen alleen nog de handoplegging
van een goedmenende herder, een kruisje
op ons voorhoofd om ons te bewaren
voor al die gissende nachten
met zwervende kinderen op kousenvoeten

nog altijd staan we te ademen in
die pentekening van ijs
op dun vensterglas
kijken nu dwars doorheen het vlies van keurige etalages
naar het gestage grote verdwijnen

Goede poëzie kan men letterlijk lezen, dan wel figuurlijk. Men kan er zelf inhoud in bewaren als in een vertrouwd nest. Ik kan er vol afschuw op reageren, jij geheel anders.

De poëzie is niet dood. Niet zolang de Arianes van deze wereld blijven schrijven. QED.