Voormalig stadsdichter van Deinze. Emeritus gewoon hoogleraar kindertandheelkunde. Auteur van maar liefst vijf bundels(1). Familieman. Voorzitter van Donsai. Publicaties in gerenommeerde literaire tijdschriften. Tal van prijzen en vermeldingen. Een dichter met een stem. Wat een palmares!
En toch. Bescheiden, bevragend, luisterend. Eén van de meest trouwe deelnemers aan de schrijfcursussen van Roel Richelieu Van Londersele (2) bij vzw Wisper. Nooit te beroerd om bij te leren, suggesties te aanvaarden. Steeds bereid om constructieve kritiek te geven, voorzichtig suggererend, omdat hij rekening houdt met de kracht van zijn woorden. Diplomatisch wanneer het maar kan, met heldere stem de dingen juist stellend wanneer het nodig is.
Wat een kerel… maar heeft hij ook een zwak kantje? Ja, het is een West-Vlaming! Grapje, Luc.
Lucs website (3) is indrukwekkend volledig en geeft een mooie kijk op zijn werk. Daaruit een selectie maken is een lastige opdracht, dus raak ik het oeuvre slechts even aan, over de verschillende thema’s heen.
Over innerlijke vervreemding, moeite met heropleving en het contrast tussen de buitenwereld en het zelf:
Tunnelvrees
ik kon de lente niet meer aan, het optimisme van de bomen, de wulpse tulpen en mijn beeld in het blad van de abeelen
tegen een gesloten raam gevlogen, vleugels gebroken, de bek dichtgeklapt werd mijn kop oerwoud, geen enkel spoor was mij bekend
geen nooduitgang, wat van mij overbleef omhulsel en wat lucht. alle dagen lang en zwart, in de nachten, tunnelvrees
(uit de cyclus: Ik vloog tegen je raam, publ. Poëziekrant januari 2024)
Luc schuwt de grote onderwerpen niet. Over oorlog door kinderogen, over verlies, zorgzaamheid, stilte en een onvervuld verlangen naar menselijkheid:
Kinderen van Aleppo
kinderen, de ogen donker, ontsnapt aan kogels. geen huis, geen school, geen moeder angstig voor mensen zonder gezicht, voor scherven van granaten, precies gericht.
als échte dokters stelpen Muhammed en Joussef het bloed van onbekende vaders, hun veel te ruime, witte schorten open. In deze stad valt elke naam, stijgt de dood uit de grond, geven kinderen
hun laatste warmte, wordt Joussef dodelijk gewond. Het laatste water in de ogen legt Muhammed hem in de afgerukte armen van zijn moeder. de wangen bleek verloren kinderen van Aleppo hun verleden,
lippen zwijgen een versteend verlangen
(Nominatie Melopee poëzieprijs 2017)
Over jeugdherinneringen vol schuld, zwijgen en het broze decor van dagelijkse dingen:
Gestraft
de ontsnapte parkiet, de tulpen in hun knop in het vergiet, de fiets zonder licht op het voetpad, de kersen uit de boomgaard van de buren
naast de appels in de kelder verschrompelde ik op het vergeelde krantenpapier, gedroogde letters in mijn keel, bang van poeder op de winteraardappelen
‘s avonds aan de keukentafel zweeg vader een mond vol stilte en zure haring. ik nam van de verplichte kaas, moeder schilde oude letters van een belegen appel
(eerste prijs poëziewedstrijd Jules Van Campenhout (2012), en opgenomen in de bundel ‘Hoop op stille muren’ (2012))
Schrijf vooral verder, Luc. We lezen je steeds liever.
Afgelopen zaterdag werd de tweede bundel van dichteres Mahlu Mertens voorgesteld in de foyer van het Arcatheater in Gent. En wérd het een voorstelling! Na een bijzonder eloquente inleiding door Dr. Frauke Pauwels (van UA, ziehier) bracht Mahlu zelf, uit het hoofd en muzikaal begeleid door Elisabeth De Loore, haar poëzie op werve(le)nde wijze. Het publiek smulde van de unieke performance.
Het gedicht Wegwerpgeluk uit het hoofdstuk Vakjesvandalen van de nieuwe bundel:
Wegwerpgeluk
Ze wou dat ze een PET-fles was, na eenmalig gebruik haar leven vervuld netjes in de zak op straat gezet, maandagochtend opgehaald.
Gerecycleerd tot fleece een nieuwe kans, stockage in de kast tot ze weer bij de kou past.
Of vermengd met andere vrouwen verwerkt tot vloerbedekking om een leven lang je voeten aan te vegen.
Ze wou dat ze een PET-fles was: chemisch stabiel, niet kapot te krijgen, maar ze is een vrouw, niet gemaakt voor wegwerpgeluk.
Poëzie van (dit) niveau is in staat tegelijk ernstig en spottend te zijn: afhankelijk van hoe de lezer het gedicht leest, kan het alle kanten op. En laat dat nu net de basisidee van poëzie zijn: de dichter schrijft en geeft het af, de lezer maakt het volledig.
Dit gaat in tegen de idee dat ‘poëzie de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ is. Een benadering van poëzie die naar verluidt ontstond tijdens het fin de siècle-symbolisme en het romantisch individualisme, en beroemd werd door de Tachtigers, en meer bepaald door Willem Kloos (1859-1938). Kloos’ pleidooi voor een radicaal subjectivistische poëtica waarin het persoonlijke gevoel van de kunstenaar centraal staat, zonder dienstbaarheid aan religie, moraal of maatschappij valt makkelijk vanuit zijn tijdgeest te verklaren, maar is achterhaald en, helaas, hardnekkig.
Zie bijvoorbeeld het gedicht Decemberlicht (uit Inslaggaten), hoe universeel is dit…:
Decemberlicht
Vandaag zal niemand schilderen. Je handen liggen op het witte laken, jouw schildersoog ziet dit landschap niet, de tubes blijven dicht, de penselen droog.
Mist ligt als een laag over gisteren. De nacht was zonder indigo, het ochtendlicht ongedefinieerd. Onaf is de dag, een potloodschets zonder kleur.
Het gedicht begint en eindigt heel groot(s): niemand dit, niemand dat. Maar vanaf de tweede regel wordt het plots heel klein: ‘je handen’ / ‘jouw schildersoog’. De combinatie van het grote met het kleine zorgt voor een universele zetting: iedereen kan de betekenis van het gedicht invullen, wat geldt als regel woont tegelijk in jou, vandaag misschien iets meer dan morgen, maar weg is het nooit. De lezer neemt deel aan de poëzie.
Voilà. En als de lezer verder poëzie compleet wil maken, moet hij ervoor zorgen dat de poëzie blijft bestaan. De lezer kan dus haast niet anders dan deze bundel hier te bestellen: https://www.uitgeverijdezeef.be.
Alvast veel plezier / ontroering / weemoed / verwondering / herkenning / melancholie / spanning / verrassing / huiver / onbehagen / lachen / bevreemding / existentiële onrust(*) bij het lezen. (*) schrappen wat vandaag niet past.
Zeven januari jongstleden(*) durfde ik een eerste keer op het podium van De Sprekende Ezels te stappen, om er vervolgens mijn ‘Korte ode aan de schoonheid’ te brengen. En omdat ik nu eenmaal een dichter ben, stopte ik daar enkele gedichten in. (*) na het lezen van deze ode snapt u waarom ik ‘zeven’ en ‘jongstleden’ schrijf en niet ‘7’ en ‘jl.’.
Korte ode aan de schoonheid.
Geacht publiek, ik zal proberen de tekst die ik meebracht, in de mij schamel toebedeelde tien minuten te wringen, om het over een mysterieus, ongrijpbaar begrip te hebben, namelijk de Schoonheid. En omdat ik het als dichter niet laten kan, zal ik dit stofferen met enkele van mijn gedichten. Ik zal het hebben over het schone van het kleine en het banale. Over de schoonheid van het absurde, en het vergankelijke.
In onze moedertaal gebruiken wij vaak het woord schoon om iets aan te duiden dat een lukraak bevraagde Nederlander mooi zou noemen. Er schuilt echter een belangrijk onderscheid tussen het ietwat ordinaire mooi, en -u merkt het dadelijk- het verheven schoon. Net zoals in de voorgaande zin de woorden ‘er schuilt…‘ nét iets meer uitdrukken dan dat iets alleen maar ‘ergens in zit’ …is schoon nobeler dan mooi.
Mooi is een meisje dat in een bloemenveld zit te mijmeren. We gebruiken het wanneer we bijvoorbeeld haar gelaatstrekken, haar profiel willen roemen. Mooi is dus iets dat zich aan het oppervlak bevindt, het past in ons esthetisch kraam. Mooi is de brave symmetrie, de harmonie in de melodie, het gemak van rijm, de schikking ener tafel.
Schoon is daarentegen de bedoeling die iets ondersteunt, zoals -één zin geleden- het opzettelijke gebruik van ‘ener’, in plaats van ‘van een’. Daardoor is die tafelschikking nét iets schoner dan dat melodietje harmonieus. Schoon is datgene dat al mooi wás maar daarenboven: zó naakt en trefbaar, dat het tegelijk ook een beetje lelijkheid, droefheid in zich meedraagt. Over het schone van het kleine verdriet schreef ik het gedicht Modelvliegtuig. Toen, lang geleden, mijn vader ons gezin verliet, bleven enkele van zijn radiogestuurde tuigen op zolder achter. Of hoe het kleine soms tot het grote leidt:
Modelvliegtuig
Als model voor een leven liggen halve vleugels en een ontkoppeld richtingsroer op de zolderkamer.
Het ruikt er naar harde lijm van een, eens uitgevouwen, lange vlucht naar het vermoeden van de lucht naar een spanwijdte op grote schaal.
Als plan voor een leven vind ik losse onderdelen, vijzen die rikketikken in een plastic bakje tussen stof dat in de hoeken kroop.
Ze rollen over elkaar de kromme tussen de kleine die ene die nergens past van nog andere te veel, als overschot gelaten.
Ik bouw aan het kleine, voor het grote ongeacht of het vliegt of aan de grond genageld blijft.
Schoon heeft die schurende ‘sch’ die de lange, en daardoor net iets nadrukkelijkere ‘oo’ aankondigt, om dan af te ronden met de zachte, doch gedecideerde ‘n’. Schoon is, ofschoon plechtig, formeel, ietwat slepend, voortschrijdend, wel belangrijk, want: het is net datgene dat ons raakt. Ook en misschien vooral in het banale. En daarover schreef ik het gedicht:
Het bestek
Een man zit op een stoel aan een tafel. Hij eet nog niet van zijn soep, in de plaats daarvan monstert hij de lepel, het bord, het servet.
Lepel, bord en servet zijn een soort drievuldigheid, ze kunnen niet zonder elkaar. Dat toch proberen, mag.
Het ogenschijnlijk minst belangrijke onderdeel (het servet) vertoont een vochtige rimpel. Daar heeft de gebruikte lepel zich al bij neergelegd, meteen het lot van het servet beslecht en het niveau van de soep een millimeter doen zakken. En ze peilde al ondiep.
De lepel heeft wat van zijn glans verloren sinds hij zichzelf in de soep heeft verdiept om er een oppervlakkige smaak in te ontdekken die met geen korrel zout te plaatsen valt.
Het bord draagt deze last in de volle breedte van de betekenis. Het beschouwt zich dan ook als het meest belangrijke van het trio. Het hoofd, als het ware, dat hij van verkoeling tracht te voorzien.
De man zit op de stoel aan de tafel. Hij eet terwijl hij het drievoudige spel speelt, de restjes soep uit het bord wrijft, het servet vergeefs gladstrijkt, vooral het metaal van de lepel verslijt.
Tot in het diepe van onze ziel dringt schoon binnen, om er de zaken door elkaar te halen, net wanneer wij dachten alles op een rijtje te hebben. We trachten het Schone te verknechten, met een krullende hoofdletter in woorden te vatten, maar… we spreken vaak naast de kwestie, vinden de juiste termen niet, en dansen dan maar rond de hete brij. Of we graven er te diep in, en denken dat we schoonheid kunnen creëren… om ze dan weer te vernietigen, Banksy style. Dan blijkt dat de schoonheid ten prooi is gevallen aan onze analyse. To dissect is to kill. Citaat van een onbekende, maar hij of zij wist het wel. Uiteindelijk blijkt soms dat we op het verkeerde hebben gemikt, dat het Schone alreeds rondomons was.
Deze voorlopige conclusie over het schone van het absurde leidt mij tot het derde en voorlaatste gedicht, dat onomstotelijk bewijst, jawel, dat Kracht noch Wijsheid kunnen zonder de derde pijler, hoe kan u het raden: de kolom van de Schoonheid…
Geen huis
Aangezien we op onszelf geen huis zijn gaan we aan de slag, met nieuwe handen.
De groeven nog ondiep en vrij van stof glipt er heel wat weg, gevallen materialen stapelen zich rond ons op.
Onze ogen herkennen nog geen lood we voegen water bij nog ongemengde specie, leggen dakpannen van boven naar beneden. We leren het rekenen af en schatten ons gemiddeld rijk.
Uiteindelijk planten we een boom naast het huis dat nog niet af is en zien we dat uit de schouw al jaren rook komt.
Ontneem dus nooit iemand het kleine, het banale, en al zeker niet het absurde. Je vermoordt de schoonheid, en die drijft ons, het is de ‘stuff’ waaruit we zijn gemaakt tot mens. Ook al komen we ongevraagd met één schreeuw uit het onnoemelijk grote zwart, en gaan we al even snel terug naar die machtige afgrond, met één laatste zucht. Over het schone van het tijdelijke van ons bestaan, het vierde en voorlopig laatste gedicht:
We hadden bijna.
We hadden bijna de bloei van de magnolia’s gemist.
Die met hun tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk, de enige bestaansreden intomen van het betonnen geweld.
Volgens een seizoentraditie komen ze kortstondig de toestand der dingen noteren.
Met miniaturen van altijd wit en klassiek roze, kleine onbeschreven post-its, alleen amper zichtbaar tezamen een patroon, weggestrooid.
Een bad van kleur waarin verschiet, een grillig lentetapijt. Het weinige van de grote interventies.
U ziet, om af te ronden:
het grote schuilt in het ogenschijnlijk kleine, nét het banale maakt ons speciaal en schoon, het schone van het absurde zit in het gebrek aan vervelende logica,
en kijk, hoe schoon, tenslotte:
het meest vluchtige is het meest substantiële.
Tot zover mijn ode aan de Schoonheid. Ik heb enkele schone uren beleefd aan het schrappen van alles wat er overbodig aan was. Het zal niet af geraken. En, oh ja: zeg vanaf nu niet meer dat iemand mooi moet schrijven waar hij of zij schoon gebruikte. Iets geheel anders werd misschien bedoeld.