Het is Poëziedag, traditioneel de start van de Poëzieweek en uitgerekend nu verschijnen twee recensies over mijn debuutbundel Staat van genade… het begin van mijn literaire, ahum, carrière.
Hier in het gerenommeerde literair e-magazine Meander schreef Jac Janssen een boeiende, intrigerende recensie over mijn debuut. Voor de hardnekkigheid waarmee hij mijn poëzie wou snappen, heb ik veel respect. Het bleek een proces van afstand en toenadering. Ik bedenk me dat niet iedereen dezelfde portie geduld gereserveerd krijgt… Over de eindconclusie kan ik niks meer zeggen dan: Janssen heeft me begrepen. En dat is een aparte ervaring.
Er valt zo veel te beleven. Maar wacht, kan de lezer dat zelf niet best doen… via mijn poëzie?
Maar eerst nog dit: mijn tweede druk is beschikbaar vanaf volgende week. Je kan hem bestellen op de website van Uitgeverij De Zeef of gewoon bij mij: stuur me een mailtje of gebruik het contactformulier (de knop “Contact” zit bovenaan deze pagina). Hij kost 19,50 euro + 5 euro verzendkost.
Voor poëziedag een gedicht dat ik recent schreef:
WAKKER
De dag loopt vast gesmeerd zoals het brood in de ochtend en de ketting op de fiets: dubbel dik.
De badkamer is onvoldoende breed voor het blik grijnzende goesting dat hij in één ruk opentrekt.
Hij trappelt om te vertrekken tot de dageraad zich als een loper voor hem uitrolt. Straks slingert de weg zich vanzelf rond elke heuvel.
De frêle ochtend laat zich aflijnen door een silhouet, het is de man die door de dag snijdt
met glimlachgemak, met het hart van een eindsprinter, de flair van een lichtgewicht klimmer.
De meet is de zijne.
Hou het warm daar bij elkaar, en tot de volgende blogpost.
[De uitdrukking Op de schouders van reuzen staan is het beroemdst in de vorm: If I have seen further, it is by standing on the shoulders of giants, vaak (ten onrechte) toegeschreven aan Isaac Newton. In de poëzie is het van toepassing omdat elke generatie steeds verder bouwt aan wat onze voorgangers al oprichtten: we kunnen dus niet anders dan hun oeuvre omarmen: het is immers deel van ons.]
Een kalme stem in een luidruchtige wereld.
Dat is zowat de beste omschrijving die ik kan verzinnen voor Jos. Jos Daelman. Ik ontmoette hem samen met zijn echtgenote Yolanda op een zaterdag. Ik vervulde de rol van chauffeur en haalde hen op aan hun woonst in Axel, om hen naar Gent te brengen. Ze stonden stipt op tijd klaar, arm in arm op het voetpad, en stapten gibberend en taterend in de wagen. We lijken wel een koningspaar, zei Jos, trots naast zijn eega op de achterbank. Ik was op slag verliefd.
Die dag vond in Gent een reünie van senioren plaats, gekoppeld aan een lunch met aangepaste wijnen. Er waren bijna honderd mensen. Enkele plaatsen van hen verwijderd zag ik ze onvermoeid praten, amper hoorbaar door het helse lawaai aan de lange tafels. Af en toe bedwong ik een glimlach. Enkele uren later maakten we de omgekeerde beweging, terug naar hun flat in Axel. Bij aankomst was er voor Yolanda geen onderhandelen aan: ik zou nog binnenkomen voor een glas. Het werd koffie, geflankeerd door een assortiment koekjes, netjes in een schaal geschikt. Schubert werd met zorg gekozen en in de cd-speler gelegd. Single malt kwam uit de kast. Jos, de kalme Jos, zweeg geen minuut.
Twee uur later stapte ik naar buiten, hart en ziel omzwachteld tegen de regen die me doelloos in het gezicht striemde. De geur van twee uitzonderlijke mensen nog aan mijn kaken.
*** Sommige dichters zoeken het podium, anderen zoeken de luwte. Jos Daelman hoorde duidelijk bij die tweede soort. Hij was jarenlang bibliothecaris in Antwerpen en mede daardoor een man die woorden eerder fluisterde dan riep. Bleven ze precies daardoor bij mij hangen? In zijn poëzie keerde Jos Daelman vaak terug naar hetzelfde terrein: landschap, tijd, verlies, het onuitspreekbare dat onder elk woord zindert. Zijn poëzie was nooit grootsprakerig. Eerder het tegenovergestelde: ze ging over een kleine verschuiving in het licht, een beweging van een mens, iets dat plots iets anders onthult. Wat mij ook trof aan Jos, is hoe hij zonder drama over de kwetsbaarheid van het (/zijn) lichaam kon schrijven. In zijn laatste bundel Oase spreekt de ziekte van Parkinson als een onaangekondigde gast die in huis komt wonen… eerlijk en zonder sentiment. Jos toonde dat poëzie niet groter hoeft te zijn dan het leven zelf. Vaak is het genoeg om rond te kijken, te noteren wat beweegt en te vertrouwen dat iemand die woorden later zal oppakken. ***
Mannetje
Er is een mannetje in komen wonen. Hij is wie ik ben. Morst met mijn soep. Steekt een boterham in mijn neus.
Er is een mannetje komen inwonen. Hij stopt mijn woorden weg. Op stukjes papier geschreven Wisselt hij ze van jas.
Er is een mannetje komen wonen Er is een mannetje Er is een Er is
(uit de bundel Oase, 2020)
Jos Daelman was van 1994 tot 2012 docent poëzie aan de Schrijversacademie van Antwerpen. Zijn onderwijs ging uit van zijn eigen visie op poëzie, die hij uitvoering behandelt in zijn boek De Rouwvlinder, en dat is dan ook een aanrader voor elke dichter of poëzieliefhebber.
Het eerste bezoek aan Axel werd al snel gevolgd door een tweede, een derde. Want tijdens onze eerste ontmoeting was al gebleken dat één Groot Ding, naast barokmuziek en whisky, ons verbond: poëzie. Ik had al van Jos’ werk gehoord, ik bezat ook één van zijn bundels (Iedereen afwezig uit 2003) en gaf die eerste zaterdag schoorvoetend toe dat ik pogingen had ondernomen, zelf te schrijven. Zijn ogen flikkerden meteen van plezier. Hij vroeg me om eens terug te komen, met mijn werk.
Ik noemde mijn gedichten ‘work-in-progress’. Jos zei: “Het leven zelf is een work-in-progress, dus wat wil je meer?”
Stap voor stap begeleidde Jos me in het lezen en analyseren van mijn gedichten. Zijn positieve feedback was ruim bemeten, zijn verbeteringen subtiel en vrijblijvend. Hij gaf me vele leestips. Tijdens corona stuurde ik mijn schrijfsels per fax en belde hij me op om de gedichten regel per regel te overlopen. Toen we eindelijk terug vrij mochten reizen en we samen aan zijn grote tafel zaten, gaf ik hem schoorvoetend iets toe. “Jos”, zei ik, “ik moet je iets vertellen”. “Ach zo?” antwoordde hij nieuwsgierig. “Ja, ik heb me ingeschreven voor een cursus. Een soort poëzieklas. Bij een zekere Roel Richelieu Van Londersele.” Jos zweeg seconden.
En toen zei hij, met zijn zachte stem: “Ik had gehoopt dat je tot dat besluit zou komen.”
En zo geschiedde. Elke 4-5 weken stuurde ik Jos mijn gedichten. Hij glimlachte veelvuldig door de telefoon.
Helaas leed Jos aan Parkinson (daarover gaat Oase ook) en spijts een inplanting van een apparaatje om zijn tremor onder controle te houden, verloor hij veel kracht in zijn lichaam. Het was stilaan welletjes. Op 30 januari 2021 koos hij voor een actief einde van zijn mooie leven.
Wat men toen nog niet wist, was dat ook Yolanda ernstig ziek was. Amper vijf weken later overleed ze. De klap voor de familie was immens.
Ik bewaar de herinnering aan Jos en Yolanda dicht bij me. Maar bij de lancering van mijn eigen debuut miste ik toch twee mooie mensen. Een dichter en zijn muze.
*** De aarde zet hier een hoge rug: heuvels En licht dat flikkert als een kaars in de winter – Maar dit is geen huis Niets is een huis nu Nu ik huiver onderhuids In dit gedicht dat rimpelt en ruist
In de lucht is het of een vrouw Slapend naar me toe ligt En zich vertederd vouwt De knieën warm en kinderlijk hoog – Maar gras en zand liggen nat en kil tezaam En oog en hart hoeven geen stem en geen betoog.
Binnen exact vijf dagen is het zover: dan hou ik mijn debuutbundel in mijn klamme handjes. Ik kan me er nog steeds weinig bij voorstellen. Eerlijk.
Negenendertig gedichten zullen op zesenvijftig bladzijden stollen, voor eeuwig. En ik kan er geen letter meer aan veranderen.
En houdt het dan op? Nee… wis en waarachtig, sinds ik weet dat ie er echt komt, ben ik verre van gestopt met schrijven, integendeel. Het is alsof de vonk van het debuut het vuur van een carrière heeft aangewakkerd. Een carrière, huh, ik doe er meteen smalend over. Er Valt Geen Cent Mee Te Verdienen, Beste!, denk ik dan. Nou nee, maar ik doe het lekker toch. De afgelopen weken heb ik vooral geschreven over en rond mijn vader. Ik heb daar nood aan. Nood aan het uitdrukken van de intense vriendschap en liefde die ik voor hem voel, en de dankbaarheid dat de samenloop van het leven me zo’n vader cadeau heeft gedaan. Hoe krakkemikkig klinkt het, in dit slecht proza. Zo klinkt het, bijvoorbeeld, in mijn poëzie:
JE BENT ER NOG
uit een cyclus over mijn vader
De telefoon schreeuwt de dag in twee. Je zegt, ik heb je brief ontvangen en ja het is goed maar nu nog niet.
De tijd is aan het rijpen. Ik wil je lokken naar het vroegste dat zich nestelde in je geur, je kalme tred, je droge handen.
Over stekelbaarzen in de sloot over hoe de grond wegzakte, toen de koude baar je grote broertje buiten droeg.
Wie je bent weet ik allang, maar kan ik het in zinnen gieten, laten stollen, bewaren, voor als die grond onder mijn voeten, en daarna.
Matthias Haeck
Ik schreef in totaal vijf vadergedichten voor deze cyclus… pom pom pom, zou ik die hier ook publiceren?
Ook deze maand bleef ik weer hangen in De Zeef Van De Maand… ‘Welke zeef?’ hoor ik sommigen al mompelen.
Wel, Uitgeverij De Zeef, een initiatief van Charles Ducal en Roel Richelieu Van Londersele, organiseert niet alleen de Zeef Poëzieprijs, maar buigt zich ook maandelijks over de vele inzendingen die hen per mail(*) bereiken. Het zijn namelijk díe dichters die, als enigen, een forum bieden aan aspiranten, debutanten of hoe je de enthousiast dichtende medemens ook wil noemen, om hun poëzie te toetsen aan de harde steen van het vakmanschap. Als enigen… in de Benelux dan nog wel, en dat geheel onbezoldigd.
Een heildronk dus op Ducal en Van Londersele, voor hun onverdroten streven om Vlaming en Nederlander een poëtisch forum te schenken.
Deze maand sta ik in de zeef met drie gedichten: Wat niet gezegd wordt, Als en Zwart. Ze mogen daar de hele maand wat sudderen – samen met een reeks andere gedichten die beslist het lezen waard zijn.
(*) P.S.: wie zelf iets wil inzenden moet wel een béétje moeite doen om het e-mailadres op de website te vinden… De redactie wordt immers nu al overspoeld door de poëtische uitingen van talloze Nederlandstalige amateurs.
Enne, vergeet niet: het woord ‘amateur’ komt van amare – Latijn voor houden van.
Het voelt bijzonder om voor het eerst iets uit mijn debuutbundel (Uitgeverij De Zeef, november) te delen. De meeste gedichten wachtten in de luwte van mijn schriftjes, alleen voor mezelf en gedeeld met een handvol vertrouwelingen. Nu komt er die bundel waarin ze samen mogen staan en dat wil ik niet helemaal voor mezelf houden tot het moment van verschijnen. Daarom vandaag een eerste voorpublicatie:
Wat niet gezegd wordt
Wat je zei vervaagt zodra je je arm om de slapende kat op het bed legt. Je wil haar wekken en toch ook niet.
Ik ben jaloers op de matras. Je schouders zwijgen maar hun stilte weegt.
Je woorden sluimeren diep in mijn buik dwalen er zwaar rond niet van plan om te vertrekken.
Ik wilde dat jij in míjn handen paste, ik zou het vasthouden onthouden zoals een boek dat zwaar leunt, nog voor één woord is gelezen.
Soms zeg je veel zonder te spreken. Dat spanningsveld tussen stilte en gewicht fascineerde me tijdens het schrijven. Het is precies die onderstroom die ik met deze bundel wil oproepen. Volgende keer geef ik de titel en de kaft prijs!
Met stille trots mag ik delen dat mijn bundel Staat van genade de eerste prijs kreeg in de Vijfde Zeef Poëzieprijs. Dat betekent dat er dit najaar een heuse bundel verschijnt… met mijn naam op de kaft. Stel je voor. De jury schreef bij de mededeling van de uitslag onder meer:
“De bundel is zeer communicatief zonder in expliciete verwoording te vervallen. Ondanks de bonte beeldspraak slaagt (de dichter) erin een grote helderheid te bewaren en strikt bij zijn diverse thema’s te blijven. De gedichten zijn gecondenseerd, mooi ingeklemd onder het principe ‘min is meer’. De dichter verstaat de kunst van het suggereren en trekt zo de gemotiveerde lezer vlot binnen in de magie van zijn gedichten.”
Ik vond, eerlijk, het behalen van de shortlist al een persoonlijk succes. Daarom voelt deze erkenning des te groter. Binnenkort verschijnt er een mini-interview met mij in VERZIN, het tijdschrift van Creatief Schrijven. Zo kan de lezer al iets meer te weten komen over ‘de auteur’. Dat wordt wennen.
Dank aan iedereen die me onderweg heeft gesteund met opbeurende woorden en opbouwende kritieken. Ik barst haast van enthousiasme (en zat vanochtend alweer te schrijven).
Ik dacht terug aan (de late avonden maar vooral) de vroege ochtenden, rond zes uur: ik zat alleen met mijn pen en toch voelde ik me nooit eenzaam. Wordt vervolgd.
en morgen (zondag) om 11u30 een kort interview op Radio Tequila, wie te ver van Deinze woont om het radiosignaal te ontvangen kan het makkelijk online beluisteren
om te vertellen dat twee Deinse dichters —Janis Derie en ik staan op de shortlist— van het collectief DONSAI kans maken te winnen.
Ziehier één van de gedichten die vandaag de klas overleefden en waaruit welgeteld één woord werd geschrapt… en nee: ik vertel niet welk woord!
Ik ben bij de laatste selectie! The magificent seven worden we door de jury van De Zeef genoemd… wat een eer. Het betekent dat de kwaliteit van de deelnemers hoog ligt gestapeld — benieuwd wat daar uiteindelijk het resultaat van wordt… Maar ook als ik niet win kan het voor mij niet meer stuk. Tenslotte is leven schade oplopen, zoals het citaat op pagina één van mijn manuscript luidt:
In dit fragment uit het gedicht Modelvliegtuig (in de bundel) verwoord ik dat als volgt:
Ik wens mezelf succes… maar hoe kan dat bestaan zonder mislukkingen?
Voormalig stadsdichter van Deinze. Emeritus gewoon hoogleraar kindertandheelkunde. Auteur van maar liefst vijf bundels(1). Familieman. Voorzitter van Donsai. Publicaties in gerenommeerde literaire tijdschriften. Tal van prijzen en vermeldingen. Een dichter met een stem. Wat een palmares!
En toch. Bescheiden, bevragend, luisterend. Eén van de meest trouwe deelnemers aan de schrijfcursussen van Roel Richelieu Van Londersele (2) bij vzw Wisper. Nooit te beroerd om bij te leren, suggesties te aanvaarden. Steeds bereid om constructieve kritiek te geven, voorzichtig suggererend, omdat hij rekening houdt met de kracht van zijn woorden. Diplomatisch wanneer het maar kan, met heldere stem de dingen juist stellend wanneer het nodig is.
Wat een kerel… maar heeft hij ook een zwak kantje? Ja, het is een West-Vlaming! Grapje, Luc.
Lucs website (3) is indrukwekkend volledig en geeft een mooie kijk op zijn werk. Daaruit een selectie maken is een lastige opdracht, dus raak ik het oeuvre slechts even aan, over de verschillende thema’s heen.
Over innerlijke vervreemding, moeite met heropleving en het contrast tussen de buitenwereld en het zelf:
Tunnelvrees
ik kon de lente niet meer aan, het optimisme van de bomen, de wulpse tulpen en mijn beeld in het blad van de abeelen
tegen een gesloten raam gevlogen, vleugels gebroken, de bek dichtgeklapt werd mijn kop oerwoud, geen enkel spoor was mij bekend
geen nooduitgang, wat van mij overbleef omhulsel en wat lucht. alle dagen lang en zwart, in de nachten, tunnelvrees
(uit de cyclus: Ik vloog tegen je raam, publ. Poëziekrant januari 2024)
Luc schuwt de grote onderwerpen niet. Over oorlog door kinderogen, over verlies, zorgzaamheid, stilte en een onvervuld verlangen naar menselijkheid:
Kinderen van Aleppo
kinderen, de ogen donker, ontsnapt aan kogels. geen huis, geen school, geen moeder angstig voor mensen zonder gezicht, voor scherven van granaten, precies gericht.
als échte dokters stelpen Muhammed en Joussef het bloed van onbekende vaders, hun veel te ruime, witte schorten open. In deze stad valt elke naam, stijgt de dood uit de grond, geven kinderen
hun laatste warmte, wordt Joussef dodelijk gewond. Het laatste water in de ogen legt Muhammed hem in de afgerukte armen van zijn moeder. de wangen bleek verloren kinderen van Aleppo hun verleden,
lippen zwijgen een versteend verlangen
(Nominatie Melopee poëzieprijs 2017)
Over jeugdherinneringen vol schuld, zwijgen en het broze decor van dagelijkse dingen:
Gestraft
de ontsnapte parkiet, de tulpen in hun knop in het vergiet, de fiets zonder licht op het voetpad, de kersen uit de boomgaard van de buren
naast de appels in de kelder verschrompelde ik op het vergeelde krantenpapier, gedroogde letters in mijn keel, bang van poeder op de winteraardappelen
‘s avonds aan de keukentafel zweeg vader een mond vol stilte en zure haring. ik nam van de verplichte kaas, moeder schilde oude letters van een belegen appel
(eerste prijs poëziewedstrijd Jules Van Campenhout (2012), en opgenomen in de bundel ‘Hoop op stille muren’ (2012))
Schrijf vooral verder, Luc. We lezen je steeds liever.
Deze week ontving ik een bijzonder bericht: mijn poëziemanuscript is opgenomen op de longlist van de Vijfde Zeef Poëzieprijs. Deze prijs, georganiseerd door Uitgeverij De Zeef, richt zich op debuterende dichters. Het doet me veel plezier dat mijn werk in deze fase wordt meegenomen in de selectie.
De komende weken maakt de jury een keuze voor de shortlist, die bekendgemaakt wordt op 1 augustus. Ongeacht het verdere verloop is het een mooie aanmoediging om mijn werk te blijven ontwikkelen en delen.
Enkele versregels uit mijn manuscript:
Dank aan iedereen die me de afgelopen jaren heeft aangemoedigd. Ik hou je via deze blog op de hoogte van het vervolg.
Wil je automatisch bericht ontvangen als er nieuws is? Je kunt je inschrijven voor updates via de knop Abonneren onderaan deze pagina.
Afgelopen zaterdag werd de tweede bundel van dichteres Mahlu Mertens voorgesteld in de foyer van het Arcatheater in Gent. En wérd het een voorstelling! Na een bijzonder eloquente inleiding door Dr. Frauke Pauwels (van UA, ziehier) bracht Mahlu zelf, uit het hoofd en muzikaal begeleid door Elisabeth De Loore, haar poëzie op werve(le)nde wijze. Het publiek smulde van de unieke performance.
Het gedicht Wegwerpgeluk uit het hoofdstuk Vakjesvandalen van de nieuwe bundel:
Wegwerpgeluk
Ze wou dat ze een PET-fles was, na eenmalig gebruik haar leven vervuld netjes in de zak op straat gezet, maandagochtend opgehaald.
Gerecycleerd tot fleece een nieuwe kans, stockage in de kast tot ze weer bij de kou past.
Of vermengd met andere vrouwen verwerkt tot vloerbedekking om een leven lang je voeten aan te vegen.
Ze wou dat ze een PET-fles was: chemisch stabiel, niet kapot te krijgen, maar ze is een vrouw, niet gemaakt voor wegwerpgeluk.
Poëzie van (dit) niveau is in staat tegelijk ernstig en spottend te zijn: afhankelijk van hoe de lezer het gedicht leest, kan het alle kanten op. En laat dat nu net de basisidee van poëzie zijn: de dichter schrijft en geeft het af, de lezer maakt het volledig.
Dit gaat in tegen de idee dat ‘poëzie de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ is. Een benadering van poëzie die naar verluidt ontstond tijdens het fin de siècle-symbolisme en het romantisch individualisme, en beroemd werd door de Tachtigers, en meer bepaald door Willem Kloos (1859-1938). Kloos’ pleidooi voor een radicaal subjectivistische poëtica waarin het persoonlijke gevoel van de kunstenaar centraal staat, zonder dienstbaarheid aan religie, moraal of maatschappij valt makkelijk vanuit zijn tijdgeest te verklaren, maar is achterhaald en, helaas, hardnekkig.
Zie bijvoorbeeld het gedicht Decemberlicht (uit Inslaggaten), hoe universeel is dit…:
Decemberlicht
Vandaag zal niemand schilderen. Je handen liggen op het witte laken, jouw schildersoog ziet dit landschap niet, de tubes blijven dicht, de penselen droog.
Mist ligt als een laag over gisteren. De nacht was zonder indigo, het ochtendlicht ongedefinieerd. Onaf is de dag, een potloodschets zonder kleur.
Het gedicht begint en eindigt heel groot(s): niemand dit, niemand dat. Maar vanaf de tweede regel wordt het plots heel klein: ‘je handen’ / ‘jouw schildersoog’. De combinatie van het grote met het kleine zorgt voor een universele zetting: iedereen kan de betekenis van het gedicht invullen, wat geldt als regel woont tegelijk in jou, vandaag misschien iets meer dan morgen, maar weg is het nooit. De lezer neemt deel aan de poëzie.
Voilà. En als de lezer verder poëzie compleet wil maken, moet hij ervoor zorgen dat de poëzie blijft bestaan. De lezer kan dus haast niet anders dan deze bundel hier te bestellen: https://www.uitgeverijdezeef.be.
Alvast veel plezier / ontroering / weemoed / verwondering / herkenning / melancholie / spanning / verrassing / huiver / onbehagen / lachen / bevreemding / existentiële onrust(*) bij het lezen. (*) schrappen wat vandaag niet past.
De uitdrukking Op de schouders van reuzen staan is het beroemdst in de vorm: If I have seen further, it is by standing on the shoulders of giants, vaak toegeschreven aan Isaac Newton, die zijn tijdgenoot Robert Hooke citeerde. De metafoor zou echter teruggaan tot minstens de 12e eeuw, althans als Johannes van Salisbury de woorden van Bernardus van Chartres dan weer correct heeft geciteerd: We are like dwarfs sitting on the shoulders of giants… (circa 1130).
In de context van poëzie gebruiken schrijvers deze metafoor om te benadrukken dat hun werk mogelijk wordt gemaakt door de groten vóór hen. Zie ook Remco Camperts uitspraak Schrijven is stelen van dieven. Die zou het dan weer geleend hebben van T.S. Eliot: Immature poets imitate; mature poets steal; bad poets deface what they take, and good poets make it into something better, or at least something different.
Geschiedenis is nu eenmaal niet 100% eenduidig…
Het idee is dat we iets nieuws kunnen maken, omdat we voortbouwen op wat door eerdere meesters werd neergezet. Eén van die meesters is Leonard Nolens. Neem nu onderstaand gedicht. Nolens’ verzameld werk staat in mijn bibliotheek, maar dit kende ik niet. Ik googelde gewoon “gedicht leonard nolens” en dit kwam als eerste resultaat.
En ja, dan ben ik blij met mijn ‘ontdekking’.
Ritueel
Zij hebben ons hart ingepikt, onze groei, onze poppen genekt, onze tuin op de trein gezet, ons verblind met hun lichtende as.
Zij hebben de zwarte zak van hun afwezigheid strak over ons heengetrokken en toen onze oren verpest met de ruis van hun hemelse spraak.
Dus waar ik vandaan kom, daar moet je die opgebaarde nog lichtjes blozende doden lang en bedachtzaam slaan.
Daar is ze dan, de nieuwste telg van onze familie(s). Mijn kleindochter. Ik laat haar naam nog buiten schot, ze verdient haar knusse en intieme plaats bij haar ouders, in haar echte leventje dat pas is begonnen. Ze weet nog niet hoe veilig en hoe onvoorwaardelijk de schoot van het gezin is. En toch, een ruw en wild gedicht:
Nieuw leven
Plots ben je daar en je heet helemaal niet Elisabeth en ik sta verbijsterd.
Je bent een miniatuur van de miniatuur die je van mij maakt, met één onzekere, trefzekere blik in mijn oude ogen.
Mijn hoofd zet een pas achteruit mijn hart tien stappen naderbij.
Ik zie een nieuwe kern ontstaan een arm die zich buigt rond een lichaam, een licht gebogen schouder de eerste troost, nog zonder taal.
Straks verlaat je de kamer en vat je de tocht aan.
Het is het laatste, dat beloof ik (kruist vingers achter zijn rug).
Er nestelt zich een sterrenhand in mijn bestaan mijn eigen palm kan niet meer leeg zijn. Ik knijp mijn arm, hij blijkt van staal vanbuiten, vanbinnen van moeras.
Mijn borst geraakt verhit ze lijkt gesmeed uit warmhoudplaat het kloppen gaat nu hand in hand twee ritmes opgeteld.
Weldra wordt een nieuwe klep gehuldigd het scalpel ligt daar al, ontsmet. In de greep van het verscholen wezen sta ik model, uit fluweel en bijenwas.
Het quasi complete gebrek aan poëzieonderricht tijdens de lessen Nederlands in het secundair onderwijs (het vijfde jaar heette in mijn tijd nog de poësis, anyone?), de desinteresse van -pakweg- de openbare omroep, de erbarmelijke verkoopcijfers van bundels met als gevolg het lage aantal debutanten dat bij ‘gevestigde’ uitgeverijen terechtkan: veel doet vermoeden dat het eerste deel van de zin hierboven waar is. En toch. Net zoals dat ene zaadje dat op een kurkdroge rots in de verzengende zon neervalt om dan toch te schieten, bestaan er nog steeds mensen die, los van alles, een eigen poëtica ontwikkelen door dagelijks te schaven aan hun gedichten. Om die vervolgens te delen onder hun gelijken op media als facebook of door (eerst aarzelend en dan enthousiast) geïmproviseerde podia te bestijgen en hun poëzie te declameren voor anderhalve man en een paardenkop in een bruin cultuurcafé.
Soms worden ze gedeeld op een blog. Bij deze. Ik stel u voor: Ariane Vergult. Vrouw, moeder, grootmoeder, vriendin, mens, partner in crime in de poëzie, warmhartige dichter die récht vanuit de ziel schrijft: spontaan, energiek, nooit hoogdravend, over de sublieme én de afschuwelijke dingen van het leven. Sterk abstractie makend van wat groot is, en wat klein. Met een krachtig gevoel voor rechtvaardigheid, nooit met het vingertje. Zie: ze gaat haar gang, ze draagt het leven. En ze bleef nog een keer haperen in De Zeef van de Maand:
uit de verte een kind
er moet een land zijn voor dit kind met bomen van vaders, vijvers vol moeders, schaapjeswolken, dampende pompoensoep op het vuur,
vingers die haar omtrek met de scheve staartjes blind schetsen een warme trui voor haar breien, een troon van marsepein voor haar bouwen die haar oude vluchtroute over zee zoeten kan
er moet een ochtend voor dit kind komen in een taal met lichtvoetige cadans en hapklare woordenschat, fluistersprookjes langs de straten met lange tafels vol helder water, voedzame potlucks guirlandes en lampionnen met gemeende weesgegroets
dit kind zal eieren rapen, appels plukken, fietsen met één hand, en met de andere wuiven naar een minder ruwe zee ver achter zich
Of neem nu dit gedicht dat ze in februari op facebook plaatste, met als voetnoot: “een ferm ouderwets gedichtje met weinig taalvondsten voor 7 februari ’55 en ’57”:
we waren jong en licht bekrast, asemden in gekantklost ijs op enkelvoudig vensterglas een kijkgat op de wereld: buiten flikflooiden tortelduiven jongens martelden winterjuffers, boven de waterput, meisjes droegen mimiek en sjaal naar hun kleinste sneeuwpop
nu we ouder zijn, zuiniger op woorden, het leven zelfreinigend bleek, onze rug verder zinkt zijn wij uit het eigengereid gelijk en uit alle liefde die geen kant op kon van dat jong driest hoofd geraasd
we missen alleen nog de handoplegging van een goedmenende herder, een kruisje op ons voorhoofd om ons te bewaren voor al die gissende nachten met zwervende kinderen op kousenvoeten
nog altijd staan we te ademen in die pentekening van ijs op dun vensterglas kijken nu dwars doorheen het vlies van keurige etalages naar het gestage grote verdwijnen
Goede poëzie kan men letterlijk lezen, dan wel figuurlijk. Men kan er zelf inhoud in bewaren als in een vertrouwd nest. Ik kan er vol afschuw op reageren, jij geheel anders.
De poëzie is niet dood. Niet zolang de Arianes van deze wereld blijven schrijven. QED.
Zeven januari jongstleden(*) durfde ik een eerste keer op het podium van De Sprekende Ezels te stappen, om er vervolgens mijn ‘Korte ode aan de schoonheid’ te brengen. En omdat ik nu eenmaal een dichter ben, stopte ik daar enkele gedichten in. (*) na het lezen van deze ode snapt u waarom ik ‘zeven’ en ‘jongstleden’ schrijf en niet ‘7’ en ‘jl.’.
Korte ode aan de schoonheid.
Geacht publiek, ik zal proberen de tekst die ik meebracht, in de mij schamel toebedeelde tien minuten te wringen, om het over een mysterieus, ongrijpbaar begrip te hebben, namelijk de Schoonheid. En omdat ik het als dichter niet laten kan, zal ik dit stofferen met enkele van mijn gedichten. Ik zal het hebben over het schone van het kleine en het banale. Over de schoonheid van het absurde, en het vergankelijke.
In onze moedertaal gebruiken wij vaak het woord schoon om iets aan te duiden dat een lukraak bevraagde Nederlander mooi zou noemen. Er schuilt echter een belangrijk onderscheid tussen het ietwat ordinaire mooi, en -u merkt het dadelijk- het verheven schoon. Net zoals in de voorgaande zin de woorden ‘er schuilt…‘ nét iets meer uitdrukken dan dat iets alleen maar ‘ergens in zit’ …is schoon nobeler dan mooi.
Mooi is een meisje dat in een bloemenveld zit te mijmeren. We gebruiken het wanneer we bijvoorbeeld haar gelaatstrekken, haar profiel willen roemen. Mooi is dus iets dat zich aan het oppervlak bevindt, het past in ons esthetisch kraam. Mooi is de brave symmetrie, de harmonie in de melodie, het gemak van rijm, de schikking ener tafel.
Schoon is daarentegen de bedoeling die iets ondersteunt, zoals -één zin geleden- het opzettelijke gebruik van ‘ener’, in plaats van ‘van een’. Daardoor is die tafelschikking nét iets schoner dan dat melodietje harmonieus. Schoon is datgene dat al mooi wás maar daarenboven: zó naakt en trefbaar, dat het tegelijk ook een beetje lelijkheid, droefheid in zich meedraagt. Over het schone van het kleine verdriet schreef ik het gedicht Modelvliegtuig. Toen, lang geleden, mijn vader ons gezin verliet, bleven enkele van zijn radiogestuurde tuigen op zolder achter. Of hoe het kleine soms tot het grote leidt:
Modelvliegtuig
Als model voor een leven liggen halve vleugels en een ontkoppeld richtingsroer op de zolderkamer.
Het ruikt er naar harde lijm van een, eens uitgevouwen, lange vlucht naar het vermoeden van de lucht naar een spanwijdte op grote schaal.
Als plan voor een leven vind ik losse onderdelen, vijzen die rikketikken in een plastic bakje tussen stof dat in de hoeken kroop.
Ze rollen over elkaar de kromme tussen de kleine die ene die nergens past van nog andere te veel, als overschot gelaten.
Ik bouw aan het kleine, voor het grote ongeacht of het vliegt of aan de grond genageld blijft.
Schoon heeft die schurende ‘sch’ die de lange, en daardoor net iets nadrukkelijkere ‘oo’ aankondigt, om dan af te ronden met de zachte, doch gedecideerde ‘n’. Schoon is, ofschoon plechtig, formeel, ietwat slepend, voortschrijdend, wel belangrijk, want: het is net datgene dat ons raakt. Ook en misschien vooral in het banale. En daarover schreef ik het gedicht:
Het bestek
Een man zit op een stoel aan een tafel. Hij eet nog niet van zijn soep, in de plaats daarvan monstert hij de lepel, het bord, het servet.
Lepel, bord en servet zijn een soort drievuldigheid, ze kunnen niet zonder elkaar. Dat toch proberen, mag.
Het ogenschijnlijk minst belangrijke onderdeel (het servet) vertoont een vochtige rimpel. Daar heeft de gebruikte lepel zich al bij neergelegd, meteen het lot van het servet beslecht en het niveau van de soep een millimeter doen zakken. En ze peilde al ondiep.
De lepel heeft wat van zijn glans verloren sinds hij zichzelf in de soep heeft verdiept om er een oppervlakkige smaak in te ontdekken die met geen korrel zout te plaatsen valt.
Het bord draagt deze last in de volle breedte van de betekenis. Het beschouwt zich dan ook als het meest belangrijke van het trio. Het hoofd, als het ware, dat hij van verkoeling tracht te voorzien.
De man zit op de stoel aan de tafel. Hij eet terwijl hij het drievoudige spel speelt, de restjes soep uit het bord wrijft, het servet vergeefs gladstrijkt, vooral het metaal van de lepel verslijt.
Tot in het diepe van onze ziel dringt schoon binnen, om er de zaken door elkaar te halen, net wanneer wij dachten alles op een rijtje te hebben. We trachten het Schone te verknechten, met een krullende hoofdletter in woorden te vatten, maar… we spreken vaak naast de kwestie, vinden de juiste termen niet, en dansen dan maar rond de hete brij. Of we graven er te diep in, en denken dat we schoonheid kunnen creëren… om ze dan weer te vernietigen, Banksy style. Dan blijkt dat de schoonheid ten prooi is gevallen aan onze analyse. To dissect is to kill. Citaat van een onbekende, maar hij of zij wist het wel. Uiteindelijk blijkt soms dat we op het verkeerde hebben gemikt, dat het Schone alreeds rondomons was.
Deze voorlopige conclusie over het schone van het absurde leidt mij tot het derde en voorlaatste gedicht, dat onomstotelijk bewijst, jawel, dat Kracht noch Wijsheid kunnen zonder de derde pijler, hoe kan u het raden: de kolom van de Schoonheid…
Geen huis
Aangezien we op onszelf geen huis zijn gaan we aan de slag, met nieuwe handen.
De groeven nog ondiep en vrij van stof glipt er heel wat weg, gevallen materialen stapelen zich rond ons op.
Onze ogen herkennen nog geen lood we voegen water bij nog ongemengde specie, leggen dakpannen van boven naar beneden. We leren het rekenen af en schatten ons gemiddeld rijk.
Uiteindelijk planten we een boom naast het huis dat nog niet af is en zien we dat uit de schouw al jaren rook komt.
Ontneem dus nooit iemand het kleine, het banale, en al zeker niet het absurde. Je vermoordt de schoonheid, en die drijft ons, het is de ‘stuff’ waaruit we zijn gemaakt tot mens. Ook al komen we ongevraagd met één schreeuw uit het onnoemelijk grote zwart, en gaan we al even snel terug naar die machtige afgrond, met één laatste zucht. Over het schone van het tijdelijke van ons bestaan, het vierde en voorlopig laatste gedicht:
We hadden bijna.
We hadden bijna de bloei van de magnolia’s gemist.
Die met hun tranige praal, flitswekkend maar een weinig droef tegelijk, de enige bestaansreden intomen van het betonnen geweld.
Volgens een seizoentraditie komen ze kortstondig de toestand der dingen noteren.
Met miniaturen van altijd wit en klassiek roze, kleine onbeschreven post-its, alleen amper zichtbaar tezamen een patroon, weggestrooid.
Een bad van kleur waarin verschiet, een grillig lentetapijt. Het weinige van de grote interventies.
U ziet, om af te ronden:
het grote schuilt in het ogenschijnlijk kleine, nét het banale maakt ons speciaal en schoon, het schone van het absurde zit in het gebrek aan vervelende logica,
en kijk, hoe schoon, tenslotte:
het meest vluchtige is het meest substantiële.
Tot zover mijn ode aan de Schoonheid. Ik heb enkele schone uren beleefd aan het schrappen van alles wat er overbodig aan was. Het zal niet af geraken. En, oh ja: zeg vanaf nu niet meer dat iemand mooi moet schrijven waar hij of zij schoon gebruikte. Iets geheel anders werd misschien bedoeld.